Preston Shannon en Eric Burdon veroveren Blues Peer
Door op 21 juli 2015

Gig_title: Preston Shannon en Eric Burdon kleuren derde festivaldag
Genre: Roots
Loc_city: Peer
Loc_country: Belgie

Zondagnamiddag komt het festival na niet onverdienstelijke sets van Tiny Legs Tim, voor de gelegenheid met een uitmuntend trio omringd en Rootbag, het nieuwe project van Richard van Bergen, op kruissnelheid met Preston Shannon. De man verkaste vanuit Mississippi naar Memphis waar hij na jaren ploeteren zich opwerkte tot een van de toonaangevende figuren in Beale Street. In zijn soepele gitaarspel weerklinken naast echo’s van de drie Kings ook invloeden van T-Bone Walker door terwijl zijn vocale frasering naar oude soulhelden refereert. Met een voltallige blazerssectie in de rangen serveert hij een portie oerdegelijke soulblues. Het van Prince geleende ‘Purple Rain’ prijkt al een enige tijd een op de setlijst en is uiterst geschikt om de  vloeiende gitaartechniek te demonstreren maar in het de gelimiteerde duur van een festivalset verkiezen we toch zijn eigen machtige, bij momenten dreigend uithalende blues.

The Scabs zijn ondertussen al een tijdje terug van weggeweest. Drie jaar geleden was er een afscheidstournee, die stilaan tot een ‘never ending tour’ uitgroeide. Dat de groep ze van Guy Swinnen ongemeen populair blijft in onze contreien is geen toeval. De Vlaamse Stones worden ze wel eens genoemd en dat heeft evenveel te maken met de rockende benadering als de flamboyante Keith attitude die de overigens sterke gitarist Willy Willy zich aanmeet. The Scabs presenteren met ‘Ways of a Wild Heart’ na een intermezzo van twintig jaar nieuw werk. Het blijven bovenal de niet van nostalgie gespeende prijsbeesten Don’t You Know, Time en Hard Times die overtuigen en het uit de punkperiode daterende ’Matchbox Car’ is blijkbaar niet stuk te krijgen.

Zelden zoveel volk gezien aan een CD stand dan aan die van K’s Choice. Het moet ondertussen zo’n twintig jaar geleden zijn dat ik in het Brusselse Warandepark waar eveneens folkman Tom Rush aantrad in het gezelschap van mijn vrouw en toen nog puberende dochter voor het eerst I’m Not An Addict hoorden. Mijn dochter werd fan en later ook van Sarah Bettens solowerk.  Vrij snel haakte ik af, hoewel ik koester nog steeds een song als The Ballad of Lea and Paul. De reünietour heeft meer weg van een stadiongebeuren inclusief galmend gitaarwerk, qua sfeer een beetje in het verlengde van The Scabs en de show spreekt me in tegenstelling tot een niet onaanzienlijk deel van het publiek minder aan.

Naar de komst van Eric Burdon  & The Animals keek ik wel met hoge verwachtingen uit. De man gaf twee jaar geleden nog een beresterk concert in Heerlen naar aanleiding van de release van Till The River Runs Dry leverde de brulboei uit Newcastle zijn beste werk af sinds jaren. Met enige vertraging op het schema komt het kleine mannetje met de machtige strot op het podium gewandeld en debiteert  meteen Don’t Bring Me Down , de smeekbede die in 1966 tijdens de gloriedagen van The Animals weerklonk. When I Was Young gaat over die periode en Burdon citeert zijn muzikale helden op psychedelisch getinte klanken. Evenals in Heerlen wordt hij ondersteund door een superieure ritmesectie met de Anglo- Amerikaanse veteranen Tony Braunagel en Terry Wilson, aan het orgel zit Red Young die uitgebreid soleert tijdens Spill The Win terwijl de extra percussionist op de voorgrond komt, heerlijk dat zwoele parlando in dat exotische nummer.

Vervolgens eert Burdon twee artiesten die hem in niet in onbelangrijke mate inspireerden, de R&B van Ray Charles met  I Believe To My Soul en het op onstuimige beat gebouwde The Story Of Bo Diddley, twee heroes die eerder op het Peerse podium passeerden en nu inderdaad zoals  Burdon in We ‘ve Gotta Get Out Of This Place suggereert deze plaats ontvlucht hebben, helaas voor altijd.  Een funky intermezzo loopt uit in flarden van Why Can’t We Live Together en de eeuwige kampvuurhit House of The Rising Sun sterft op ritmische barrelhouse pianoriedels uit. In een enkele toegift stelt Burdon orde op zaken met een gespierd It’s My Life. Een gedroomde afsluiter en we verlaten lichtjes euforisch het festivalterrein en vergeten toch wel Beth Hart zeker.