Gevarieerde en bruisende ontknoping voor jarig (Ge)Varenwinkel
Door op 27 augustus 2017

Gig_title: (Ge)Varenwinkel Festival
Genre: blues, Roots /Americana
Loc_venue: festivaltent
Loc_city: Vareninkel
Loc_country: België

Op de afsluitende festivaldag worden we met aangenaam zomerweer verwend. De aanvankelijk wat magere opkomst heeft daar wellicht iets mee te maken. De centraal opgestelde vintage drumkit laat er geen twijfel over bestaan en de rudimentaire rockende bluesbilly die het trio  produceert nog minder, dit moeten Doghous Sam & His Magnatones zijn. Voordien dweilde Sam(Wouter Celis) met The Rhythm Bombs de podiaaf.  Sinds hij de krachten bundelt met bassist Jack O’Roonie en de voortreffelijke Franky Gomez aan de vintage drumkit is de opmars niet meer te stoppen. Als we in de kleine tent geraken zit de vaart zit er al stevig in met die karakteristieke Bo Diddley beat, dat is geen toeval het van de legendarische guitarslinger geleende My White Horse volgt in gestrekte draf. Een beetje Fats Domino kan nooit kwaad met het bijzonder toepasselijke I’m Ready komt de set in een stroomversnelling en Sam diept het bottleneckstaafje op voor Back In The Ring uit het debuut Buddah Blue. Vervolgens komt nog enkele met  het smoelschuivertje

De harmonica eist bij volgende act een prominente rol op. Big Pete figureert de laatste tijd  opnieuw in een tribute band die de nagedachtenis van Lester Butler eert. Zo trad hij op Blues Peer nog aan met overblijvende Red Devils, uiteraard zit er nog werk van de betreurde bluesman in de set maar met zijn eigen band graaft Pete wat dieper in het bluesverleden. Hij wordt daarbij prima geassisteerd door Wilfried ‘Wuff’ Maes (Electric Kings) aan de drumkit, gitarist Sander Kooiman en een pianist.  Pregnante blues uit Chicago wordt afgewisseld met ritmische escapades.

We blijven even in de Lage Landen met Walter Broes & The Mercenaries, waarin drummer Lieven Declercq en Clark Kenis figureren. De frontman van The Seatsniffers vond destijds moeiteloos aansluiting met de internationale roots top en de langspeler Movin’Up bevestigt die status. Het stomende titelnummer zit overigens al verwerkt in een overrompelend openingsluik. Terwijl Broes over de frets raast en de vonken uit zijn Guild gitaar vlammen slooft Clark zich uit op de imposante baskist die hij ondanks de beperkte podiumruimte uiterst behendig manoeuvreert en al zittend of liggend hanteert. In enkele nummers komt hij vocaal op het voorplan. Na een strak, gedecideerd No More volgt Got My Own Kick Song, een striemende adaptatie van Ronnie Self stuff. We hebben het nu al enkele keren gehoord, maar het blijft telkens een belevenis als het tempo wat vertraagd voor de zwoele rhumba ritmiek van het sluipende Man Child. Een soepel swingend Come on Down loopt uit in een ontknoping  met meeslepende boogiewoogie.

Flitsende boogiewoogie aan het pianoklavier trekt ook de volgende set op gang. Na de piano-man komen achtereenvolgens de drummer, bassist en gitarist op, een voortreffelijk team dat  de instrumentatie verzorgt bij Curtis Salgado.  De man uit Eugene, Oregon is sinds de late jaren zestig actief en figureerde als harmonicaman bij Robert Cray en Roomful Of Blues. Bovendien profileert hij zich als een niet onverdienstelijk soulcrooner. Dat wordt nog eens treffend geïllustreerd met een doorvoeld I Smell Trouble, zo’n onverslijtbare slijper van Bobby ‘Blue’ Band. Later in de set komt Salgado nog wel eens aanzetten met zo’n lichtjes fantastische  door orgel en priemend snarenwerk aangedreven ‘preachin blues’ maar hij graait vooral in het repertoire van Little Walter met de harmonica uiteraard in een hoofdrol. Er wordt overigens afgesloten met werk van die andere harmonicaman Sonny Boy Williamson. Onmiskenbaar een sterke set, die Salgado moet beslist nog eens  terugkeren met blazerssectie en dameskoortje.

Er was een periode dat Ian Siegal alomtegenwoordig was op de club- en festivalpodia in uiteenlopende bandsamenstellingen naast solo- en duo projecten. Dit keer opteert Siegal voor een begeleidingsband met Dusty Ciggaar, het jeugdige gitaarfenomeen uit Twente en enkele kompanen van The Rhythm Chiefs. De  grote tent loopt voor het eerst helemaal vol, dat heeft wellicht ook iets met het invallen van de duisternis en de wat koudere buitentemperaturen te maken. Siegal blijft tot grote vreugde van een niet onaanzienlijk deel van het publiek geheel zichzelf. Priemend slidewerk wordt knap ondersteund door de interventies van Dusty. Songs met een donkere randje zoals The Skinny en I Am The Train, met flarden van Mystery Train. Siegal gooit zijn slangenlederen jasje uit en de muzikale trein komt  op kruissnelheid voor een wilde trip in de nacht.

The Steepwater Band  wordt weliswaar geplaagd door technische problemen, bovendien beklijft het eigen repertoire, een stevige mix van blues-en classic rock aangelengd met een portie southern rock, niet echt. De band schakelt vrij snel over op coverwerk, er volgen nummers  uit de Stonescatalogus zoals Love In Vain, Jumpin Jack Flash en een op de versie van Cream gemodelleerde interpretatie van Crossroads. Als de gitaarversterker van Jeff Massey  het voor de tweede keer begeeft houden we het voor bekeken.

Lucky Peterson, de orgelvirtuoos  uit Buffalo en zoon van bluesman James Peterson beleefde zijn grote doorbraak beginjaren negentig met Triple Play waarop hij zich ook als een meesterlijk gitarist profileerde. Naast blues exploreerde hij ook jazz en funk. In 2014 prijkte zijn foto al op de affiche van (Ge)Varenwinkel, hij zou aantreden met zijn vrouw Tamara. Het feest ging helaas niet door wegens gezondheidsredenen. Drie jaar later mag hij de feest editie afronden en doet dat met  klasse in een spectaculaire show opgebouwd met een selectie uit zijn uitgebreid repertoire, huzarenstukjes op de Hammond worden afgewisseld met ietwat overbodige demonstraties op elektronische klavierspeeltjes. Aanstekelijke uitstapjes in blues , soul en jazz  sluiten de twintigste editie alsnog met klasse af. Op naar de volgende editie.