Diana Jones: ‘Ik bekijk dingen nu eenmaal door een Appalachiaanse lens’
Door op 05 september 2013

Artiest: Diana Jones
Album_title: The Museum of Appalachia Recordings

In december 2012 trok Diana Jones zich met collega’s Matt Combs en Shad Cobbs terug voor een tweedaagse sessie in The Peters Cabin, een primitieve stulp die onderdeel uitmaakt van het Museum of Appalachia. Volgens de zangeres vroegen de liedjes voor haar nieuwe album om een intieme, eenvoudige ‘studio’, met de musici letterlijk rond de brandende open haard. Dit klinkt truttig en gekunsteld, maar mijns inziens heeft Jones juist in het hutje op de hei haar beste cd tot nu toe opgenomen.

The Museum Of Appalachia Recordings is een even integere als oorspronkelijke collectie van meestal old-timey gekleurde nummers. De expressiviteit van Jones’ slechts schijnbaar flegmatieke voordracht komt hier meer dan ooit tot haar recht in combinatie met de Spartaanse arrangementen. En waar het een slecht gebruik in de popkritiek is om singer-songwriters bij de eerste halve gevatheid tot dichters van formaat uit te roepen, daar geeft Diana Jones blijk van een authentieke, tegelijkertijd speels avontuurlijke en veeleisende literaire precisie. Alleen al de volstrekt eigen manier waarop ze in Sparrow bijbelse beelden inzet om de hoofdpersoon stem te geven, biedt stof genoeg voor een apart opstel. Ook de briljante omkering van het geijkte verhaal over de Ierse postorderbruidjes in Ohio – qua tekst een technisch vrijwel perfecte beurtzang – verdient bepaald meer aandacht dan de constatering van Jones dat het inderdaad een uitdagend experiment betrof. Via het scherm communiceert ze aanzienlijk gereserveerder dan in een echt gesprek. De volgende keer hoop ik dus gewoon weer tegenover haar te zitten.

WiM: In je notities voor het cd-boekje zeg je dat het materiaal zich aan je op bleef dringen, je niet met rust liet tot je het had opgeschreven. Aan de andere kant stel je dat je dieper moest graven dan je ooit had gedaan.
Als er een song bij me opkomt, is dat altijd een mysterieus proces. Soms gebeurt het snel, ontvang ik nummers bijna als geheel, terwijl andere veel langer nodig hebben, zich als het ware in diverse afleveringen manifesteren, ook veel meer werk vragen. Op de nieuwe plaat zijn beide varianten vertegenwoordigd. Soms betrof het echt oude stukken, zoals Goldmine. Daar ben ik tien jaar geleden aan begonnen, als reactie op het overlijden van een verslaafde vriend. De dag voordat we het opnamen, heb ik het af kunnen maken.

WiM: In dezelfde aantekeningen schets je het beeld van een spontane sessie, waarbij alles zonder vooroverleg op zijn plek viel. Je zou bijna vergeten dat je wel degelijk een risico nam. Het kan immers ook niet klikken. Zoals jij het vertelt, lijkt het alsof de plaat is opgenomen in een soort muzikale staat van genade.
Genade is een goed woord voor de atmosfeer tijdens die twee dagen. We hebben het er niet van tevoren over gehad wie welk deel van de begeleiding voor zijn rekening zou nemen. Sterker, we hebben zelfs nauwelijks besproken welke instrumenten we eigenlijk zouden gebruiken. Ik vertrouwde erop dat Matt en Shad intuïtief het speeltuig zouden kiezen dat naar hun idee het beste stem gaf aan de song die we op dat moment gingen opnemen. Het is overigens niet zo dat ik helemaal niet wist waar ik aan begon. Matt was me aanbevolen door een vriend, en Shadd was Matts keuze. We hebben twee keer in Nashville gerepeteerd, en ik wist meteen dat hun aanpak paste bij wat mij voor ogen stond.

WiM: De plaat begint met Oh Sinner, een gospel van de bemoedigende soort, zoals veruit de meeste religieuze muziek uit je geboortestreek.
Ik denk dat er in de gospeltradities uit de Appalachen heel veel troost ligt. Ik weet dat op waarde te schatten en houd van de liederen uit de gezangenboeken die mijn grootmoeder me heeft nagelaten toen ze stierf. Ik was daarin aan het lezen toen Oh Sinner ontstond.

WiM: Orphan’s Home en The Other Side zijn ook bij uitstek Appalachiaanse songs, vooral door de typerende tegenstelling tussen de realiteit van een aards tranendal vol trouweloze medemensen enerzijds en anderzijds het vaak met de rug tegen de muur volgehouden geloof van de protagonisten in de hemel als manifestatie van Gods trouw. Het is een thematiek die, zacht uitgedrukt, ook in de Amerikaanse maatschappij op toenemende spot en vijandschap stuit. Heeft dat gegeven op jou geen invloed?
Ik kan alleen maar zeggen dat ik nu eenmaal dol ben op verhalen en karakters, en dat ik probeer om ze te doordrenken met wat ik emotioneel met hen gemeen heb.

WiM: Ondanks je liefde voor de Appalachen verval je nooit in simplistische idylles. Je weet dat het platteland even goed het decor van een zelfgeschapen hel kan zijn als de grote stad. Drunkard’s Daughter is een klinisch portret van een dochter die na de dood van haar moeder bij haar aan drank verslaafde vader blijft wonen totdat deze overlijdt – waarna de jonge vrouw in haar kleine wereld geen raad weet met haar vrijheid, en op haar beurt trouwt met een tirannieke zuipschuit….
Het is een analyse van psychologische patronen, van de manier waarop wij kunnen omgaan met ons leven, zijn moeilijkheden en gebreken. Naar mijn idee maakt het weinig uit waar de beschreven persoon vandaan komt, maar ik schijn dingen nu eenmaal te bekijken door een Appalachiaanse lens.

WiM: Is dat ook de verklaring voor de van iedere franje ontdane onmiddellijkheid waarmee de personen in je liedjes zich uitdrukken?
Nee. Dat is gewoon nu eenmaal de wijze waarop verhalen in me opkomen. Ik doe geen pogingen om het puntige karakter van de streektaal te volgen.

WiM: Song for a Worker is op het eerste gehoor een nederig danklied over de zondag als Gods gave van één rustdag in een tijd waarin de zesdaagse werkdag voor de Amerikaanse arbeider de norm was. Maar het functioneert óók als een subtiele kritiek op de manier waarop religie door werkgevers misbruikt is om mensen erkentelijk te maken en te houden voor een veel te mager loon, een periode waarin een dak boven het hoofd van de werknemers door hun bazen als een gunst werd gepresenteerd.
Aan de tweede mogelijkheid heb ik niet gedacht. Ik probeerde iets te schrijven dat even goed van toepassing kan zijn op de Industriële Revolutie als op het heden. Nu kunnen we meer tijd nemen voor ons gezin of ons thuis. Tegenwoordig werken we alleen vaak uit inhaligheid continu door, en vergeten het belang van die tijd voor elkaar.

WiM: Je schrijft veel gelaagde songs, maar je bent ook in staat om zonder omwegen je verdriet te uiten, bijvoorbeeld in Love O Love en Tennessee. De primaire hartstocht van de klacht in beide nummers suggereert dat ze ieder in één keer zijn ontstaan.
Klopt. Tennessee is van de avond voordat de sessies begonnen – een totale verrassing.

WiM: In Satan geef je de verzoeking van Christus in de woestijn weer, zoals opgetekend in Mattheüs en Lucas, en je doet dat in de ik-vorm. Dat is – althans wat deze episode betreft – bij mijn weten een unieke benadering.
Ik houd van de kracht van de evangelieverzen in kwestie, en heb de tekst gebruikt om na te denken over verleiding in bredere zin, in mijn eigen leven, in de wereld. Ik wilde die woorden graag op muziek zetten.

WiM: Ik wil nog één keer terugkomen op je begeleidende tekst bij dit project. Je zegt daarin dat de cirkel met deze plaat rond is. Betekent dit dat je nadenkt over andere muzikale richtingen dan het door de Appalachiaanse muziek geïnspireerde werk van de laatste vier cd’s?
Nu concentreer ik me op de promotie van het nieuwe album. Ik weet nog niet wat ik hierna ga doen.

Diana Jones speelt zaterdag 14 september tijdens het TakeRoot festival in Groningen.