Zazí/Dorrestijn: Meer dan een ouwe lul met een paar prachtige meiden
Door op 17 december 2014

Band: Zazí
Genre: Pop

Kik - Hans Dorrestijn en Zazi¦ü - Eindelijk Licht - foto Joost de HaasZe zijn alle vier blij dat ze elkaar twee dagen achter elkaar toevallig tegenkwamen: de ene dag bij het Radio 1-programma Vrijdagmiddag Live, de dag erna bij Radio Noord. “We durfden niet op hem af te stappen omdat we hem zo bewonderden,” zegt Dafne Holtland. Oude rot Hans Dorrestijn durfde dat in dit geval wel. Maar alleen omdat hij hun hitje Turn Me On écht mooi vond. In de afgelopen maanden ondernamen ze een gezamenlijke theatertour die naar meer smaakt.

“We dachten dat het een beetje een chagrijnige man was,” verwoordt Margriet Planting de aanvankelijke koudwatervrees. Dorrestijn: “Ik was nooit naar ze toe gekomen, al had ik dat wel gewild, maar ze zongen een geweldig lied, dat was Turn Me On. Ik had meteen door: verrek, daar moet ik bij wezen.”

Dorrestijn vond Dafne, Sabien Bosselaar (beiden 26) en Margriet (32) geweldig zingen. Het drietal wilde, na een Spaans-, Engels-, Spaans- en Noorstalige debuutplaat weleens iets in de eigen taal proberen, maar wist niet zo goed wat. Dorrestijn bleek nog lades vol gebruikte en ongebruikte teksten te hebben liggen. “Ik heb de hele troep aan ze meegegeven,” klinkt het alsof hij ervan af wilde wezen. In werkelijkheid nodigde hij het drietal op een mooie zomerdag uit in Bennekom, waar een ontspannen en inspirerende ontmoeting plaatsvond. “Ze hebben een goede hand van kiezen,” vertelt Dorrestijn als Written in Music bij het viertal aanschuift. “Wat dat betreft lijken ze op Adèle Bloemendaal. Die kon je ook een stapel rotzooi geven, dan pikte ze ook binnen een half uurtje die ene goede tekst eruit.” Dafne: “Je vergelijkt ons met Adèle! Wat een compliment.”

Het in oktober verschenen album Zazí zingt Dorrestijn vormt de basis van de theatertour Eindelijk Licht, die onlangs werd afgerond. De formule: Zazí zingt Dorrestijns liederen, waar nodig herschreven tot een vorm die bij een stel midtwintigers geloofwaardig over de lippen komt en voorzien van eigen muziek, Dorrestijn zit het vanuit zijn luie stoel te beluisteren. Zijn rol is dat hij al die positiviteit maar niks vindt, maar zijn mimiek en lichaamstaal verraden dat hij nog nooit zo ontspannen op een podium stond. Dit is écht een andere Hans Dorrestijn dan de man die met gebogen rug achter de piano zat, begin jaren negentig, in voorstellingen als Liederen Van Wanhoop En Ongeloof en Pretpark. “Die grote zalen, ik vond het doodeng. Het vrat me op. Nu, met Zazí, durf ik alles. Zij dragen de voorstelling, ik hoef dat maar voor een kwart te doen. Ik heb destijds afscheid genomen van de grote zalen. Mensen hebben dat verkeerd begrepen en denken nu dat ik als een soort Heintje Davids ben teruggekeerd. Maar het was enkel de overstap van de grote theaters naar de kleinere. De laatste voorstelling liep zo goed, dat ik nu toch weer in zalen met 700 man stond. Maar nu vind ik het niet erg meer. Nu is het toegift, zeg maar. Er zit niet meer zo’n druk op.”

Zazí heeft dankzij de ontmoeting met Dorrestijn plotseling de beschikking over hogeschool Nederlandstalig tekstmateriaal, Dorrestijn telt ineens weer meer bij ‘de jeugd’. “Het is heel duidelijk dat je je contact met de twintigers, dertigers verliest. Ik ben allang blij als er bij mijn eigen voorstellingen een enkel jonger iemand zit. Hogere eisen kun je niet stellen. Maar toen zij dat aanboden , dacht ik: tsjonge, wat een goed idee. Ik ben een tekstschrijver, die noodgedwongen zijn eigen nummers ging zingen omdat niemand anders het wilde. Joost Prinsen en Adèle Bloemendaal waren eigenlijk de enigen. Joost trad nooit op, dus daar had ik niks aan. Ik ben er achteraf wel blij om, want het is natuurlijk een verrijking van mijn leven geweest. Als ik alleen maar thuis achter mijn schrijfmachine had gezeten, was ik een buitengewoon chagrijnig iemand geworden.”

Zazí wist van te voren dat de liedjes goed waren en dat het met het aandeel van de ervaren cabaretier Hans Dorrestijn ook wel in orde zou komen. “Maar wat we er extra bij krijgen, is dat we samen ook nog iets meebrengen. Dat die tegenstellingen een heel andere dimensie opleveren. Daarvan wisten we niet hoe dat zou zijn. Hans: “In Zoetermeer zeiden wel tien mensen: wat een geweldige combinatie. Je kunt zeggen: dat is makkelijk bedacht. Je neemt een oude lul en zet er een paar prachtige meiden omheen, dat is altijd leuk. Dat is de voor de hand liggende uitleg. Maar ik weet zeker: als zij alleen maar leuk waren om te zíen, dan was ik me na een maand gaan vervelen.”

Aan het begin van de voorstelling verwoordt Hans het met een typisch ‘Dorrestijnsiaanse’ woordgrap. “Zij zijn mooi, jong en optimistisch, ik ben oud, lelijk en somber. Zoveel tegenstelling dat het nooit tot een voorstelling kon leiden.” Maar die voorstelling is er dus wel. Zazí maakte met verstand van zaken een keuze uit Dorrestijns repertoire (‘Ze hebben de hele troep mee naar huis genomen’. ‘Je had wel een voorselectie gemaakt’. ‘Maar schat, ik heb er ook zulke slechte nummers bij zitten dat ik die echt niet geef’.)

Dafne: “Sommige teksten moesten we wel wat vervormen omdat ze niet in liedvorm waren geschreven -couplet, refrein-. Uiteindelijk hebben we het met goedkeuring van de meester allemaal opgenomen.” Dorrestijn: “Ik moest wel even slikken. Met Dafne heb ik altijd de aanvaring dat zij zegt dat ze het tegen me gezegd heeft.” Dafne: “Jazeker, je hebt toestemming gegeven.”

“Nou, dat heb ik dan blijkbaar niet goed gehoord. Dus dat was een keer goed slikken. Maar na een poosje dacht ik: ze hebben heel goede ingrepen gedaan. IJssalon Bernardo hebben jullie sowieso verbeterd. Renault 4, Schaatserslied 1…”

Margriet: “Bij sommige teksten hebben we woorden eruit gehaald omdat ze niet bij ons passen. Een woord als kikvorsmannen zou, als wij dat zingen, heel raar klinken omdat dat niet meer wordt gebruikt. Dan zou je afgeleid zijn van het lied.” Dorrestijn had dat woord te allen tijde gehandhaafd. “Daar hecht ik aan. Dat zou ik er altijd in laten. Maar jullie zijn anders. Dus daar heb ik me bij neergelegd. Bij jullie loopt het lied geweldig. Het is echt een lied geworden.” In andere gevallen is het archaïsche taalgebruik bewust wel gehandhaafd. In Lente bijvoorbeeld:

En laat de mensen van de kook
Weer overgaan op oliestook

Sabien: “Doordat we bij Lente alles met z’n drieën zingen, wordt het een soort overkoepelende stem. Bij Schaatserslied ben ik gewoon degene die het zingt, dan is het anders.” Een echte beslissing is zo’n ingreep overigens niet. Dorrestijn herkent dat proces: “Dat gaat intuïtief. Dat is bij het schrijven zo raar. Je hebt een regel en pas als het lied af is, denk je: jezus, wat is dat goed. Want die regel verwijst nog dubbel en naar boven en naar beneden. Dat zie je als het klaar is. Dus onbewust doe je dat goed.”

De prachtige solozang van de drie Zazí-dames en hun onberispelijke meerstemmige vocalen vormen een mooi geheel met de conferences van Dorrestijn, die de zaal laat schateren als hij vertelt over het waterbed dat hij ooit kocht op aanraden van leerlingjournaliste Debbie. Haar advies had Dorrestijn er ook toe bewogen een operatie aan zijn voorhuid te laten verrichten, omdat dat het liefdesspel naar een hoger plan zou tillen. Op de dag dat ‘het apparaat’ voldoende was genezen om weer gebruikt te kunnen worden, werd ook het waterbed bezorgd. “Toen verscheen Debbie aan de deur. Ze vond me nog wel aardig, maar ze hield niet meer van me. Dat zat ik met een nieuwe pik en een nieuw waterbed. Dat bed staat er nog steeds. Debbie heb ik nooit meer gezien.”

Margriet: “Bij jou landt zo’n grap dan. Dat is de ervaring.” Dorrestijn: “Soms is het maar één achtste van een seconde dat je moet wachten. Anders denken ze: verrek, hij vindt zich leuk worden.”

Tegelijkertijd merkt Hans dat de drie dames, die los van hun muzikale achtergrond (het zijn geschoolde zangeressen en bespelen alle meerdere instrumenten) duidelijk ‘meters maken’ in het theatermetier. “Ze hebben zich zo ontwikkeld. Toen we net waren begonnen, kwaakten ze maar door elkaar heen. Ze maakten een grap en nog voordat die grap was geland, lulden ze er alweer overheen. Nu pláátsen ze al. Ze weten waar de goeie opmerkingen moeten.” Zazí en Dorrestijn wisselen elkaar af en kunnen waar nodig elkaars misstapjes opvangen. “Zeker bij de eerste try-outs moesten we regelmatig even roepen: Hans, we zijn bij dat en dat nummer, dan wist hij het even niet meer.”

Dorrestijn: “En het leuke is: mensen vinden dat prachtig. Dat kan niet meer mis.” Zazí: En als bij ons een nummer niet goed gaat, komt er daarna een conference. Wij zijn helemaal niet gewend dat mensen lachen.” Ze zingen in theater De Kring in Roosendaal, waar Written in Music de voorstelling bekijkt, Dorrestijns repertoire, maar ook een lied van Rob Chrispijn. Dorrestijn vertelt dat hijzelf aanvankelijk de tekstschrijver van Herman van Veen was. Toen hij eenmaal was ingeruild voor Chrispijn, vond hij dat niet eens erg. “Ik ben toen bij een voorstelling gaan kijken en zijn teksten waren zoveel beter dat ik niet eens jaloers kon zijn.” Als ode zingen Zazí en Dorrestijn Cirkels, Chrispijns vertaling van de evergreen Windmills Of Your Mind.

Zazí, dat Hans Dorrestijn leerde kennen op het moment dat het drietal ‘iets’ met de Nederlandse taal wilde, beseft dat de lat hoog ligt na dit Nederlandstalige debuut. Er zijn al wat teksten geschreven, die ook zullen worden uitgeprobeerd tijdens de reprise van de voorstelling Sirene, die vanaf januari in de theaters is te zien.

Zazí leert van Dorrestijn, maar het omgekeerde is ook nog steeds het geval, zo blijkt bij de introductie die de 74-jarige geeft vlak voor de toegift in Roosendaal: “Zo’n lied als Turn Me On had ik graag geschreven. De woorden doen niet ter zake, die leiden af van het lied. Bij een echt goed lied, kunnen de woorden eruit.” Een ontboezeming van de voormalig leraar Nederlands die zoveel hoogstaande ‘talige’ teksten schreef en voor wie de tekst altijd minstens zo belangrijk leek als de muziek. “Ik hoop dat ik nog voldoende tijd heb om dit zelf in praktijk te gaan brengen.”

Een gelukkig toeval dat Dorrestijns leven op zijn kop zet en hem ruim na zijn zeventigste op een heel nieuwe manier naar zijn werk laat kijken. Het past bij zijn leven en carrière tot nu toe: “Ik ben een laatbloeier. Als je kijkt naar Freek de Jonge, die scoorde al toen ik nog les moest geven. En het is een leeftijdgenoot, ik heb met hem gestudeerd. Nu pas sta ik wat meer ontspannen tegenover de materie, waardoor ik het beter kan opschrijven. Ik heb natuurlijk heel goede liedjes geschreven vroeger, maar het gaat makkelijker.”