Tilburgse Incubate festival volgens Sophie
Door op 16 september 2012

Van 10 tot en met 16 september vindt in het Tilburgse centrum Incubate plaats. Op het festival zijn films en kunst te bewonderen, maar het grootste gedeelte bestaat uit vernieuwende muziek. Written in Music doet de hele week verslag, wat hieronder te lezen is.

Zondag: Silver Apples, British Sea Power, Japandroids, The Telescopes en Buzzcocks

Simeon Coxe III staat achter zijn apparatuur. Hij heeft een zwarte coltrui aan en een zwart hoedje op. Voor de leukigheid Silver Apples goedheeft hij daar maar een rood veertje opgeplakt. Staat hem goed. Hij zou je opa kunnen zijn. Maar de meeste opa’s maken geen psychedelische techno. Simeon wel. Zodra hij op enkele knopjes heeft gedrukt, worden we weggeblazen door dikke beats en dreunende bassen. Simeon Coxe III doet dit al sinds 1967. Samen met drummer Danny Taylor – die in 2005 overleed – was hij Silver Apples, een vooruitstrevend duo dat elektronische muziek maakte toen er nog helemaal geen elektronische muziek bestond. Nu gaat Simeon alleen door. Een dun oud mannetje achter zijn vreemde apparaten. Hij heeft er ook een zelf gemaakt: een van de eerste weliswaar primitieve synthesizers, lekker naar zichzelf vernoemd: The Simeon. Anno 2012 klinkt Silver Apples absoluut niet gedateerd. Alleen Simeon’s stem, die toch wel een beetje scheurtjes begint te vertonen, verraad dat Silver Apples al sinds de jaren 60 bezig is. Er is zelfs een nieuw nummer, van een maand oud. In dezelfde stijl van het oude werk, maar klinkt toch iets minder. Alles doet sterk denken aan Portishead. Niet vreemd, want die Britse band is sterk geïnspireerd door Silver Apples en heeft zelfs een eerbetoon geschreven aan Simeon, genaamd We Carry On. Terug naar de Kleine Zaal van 013. Daar haalt Simeon nog steeds de hypnotiserende, psychedelische technogeluiden uit zijn kastjes met knoppen. Een opa, die hipper is dan jij, en na afloop van zijn set nog even ietwat verlegen handtekeningen uitdeelt.

Niets is wat het lijkt bij British Sea Power. Ach, weer zo’n britpopbandje met goeie maar iets te saai liedjes. Maar dat is dus niet zo. Het vijftal lijkt een rustige set te spelen, gekleed in slobberkleding en rondschuifelend op sokken. De bandBritish Sea Powerkomt wat mat over. Misschien een zware avond gehad. Misschien niet zo’n zin. Er rent een wat grote man met bier in zijn hand dwars door het publiek. Vooraan zingt hij luidkeels mee. De band kijkt er niet van op. Vreemd. Na wat op en neer gespring, rent hij naar de roadies die aan de zijkant van het podium staan. Daar gaat hij verder met meezingen, evenals de andere bandhulpjes. Aha, deze meneer hoort bij de band. Ondertussen is er een grote fles whisky op het podium verschenen en speelt British Sea Power wat interessanter. Naast de whisky staat een plastic kalf die er verder niet toe doet. Dan rent een groepje, waaronder de dronken man, naar achter. Een paar minuten later lopen er twee aluminiumfolie robots het podium op. De pakjes zijn iets te klein, alleen bovenlijven zijn bedekt. De band speelt ruiger en ontpopt zich tot een energieke maar donkere newwaveband. De dronken man breekt uit zijn robotpak en gooit woest stukken karton het publiek in. Zanger Scott Wilkinson hangt over zijn microfoon en kijkt intens zijn toeschouwers aan. De andere robot valt van het podium en spartelt daar wat rond. Niets is wat het lijkt bij British Sea Power.

JapandroidsIn tegenstelling tot British Sea Power, is bij Japandroids alles zoals het lijkt. Twee slungelige jongens uit Canada – Brian King en David Prowse – die keiharde punkrock maken. De twee lopen over van enthousiasme, wat ze goed weten over te brengen op de uitzinnige meute die voor hen staat. Daar ontstaat dan ook een moshpit waaraan de halve zaal meedoet. Nummers worden door King geschreeuwd, het publiek schreeuwt mee. Prachtig, maar toch is het pubergehalte hoog. Lekker schoppen tegen alles wat autoriteit heeft. Fijn tegen elkaar springen om de frustraties van een zestienjarige kwijt te raken. Yeah!!

Absoluut niet kinderachtig zijn The Telescopes. Die worden vaak in één adem genoemd met My Bloody Valentine en The Jesus and Mary Chain. Niet de minsten, maar toch staan ze in Stage01, het kleinste zaaltje van 013. Shoegaze dus, en dat is aan de twee buitenste gitaristen af te lezen: met gebogen rug drukken ze knopjes in en raakt hun gitaar bijna de grond. Een derde gitarist springt als een bezetene over het podium en door de zaal, alsof hij geëlektrocuteerd wordt. Zanger Stephen Lawrie kruipt over het podium en schreeuwt in z’n microfoon alsof hem iets verschrikkelijks wordt aangedaan. Op zijn knieën schuifelt hij heen en weer om vervolgens van het podium af te stappen en daar verder te gaan met zijn toneelstuk. De bassist staat heel het concert met zijn rug naar de toeschouwers. En de drummer? Die houdt alles met puppy-ogen goed in de gaten. Zo gaat het drie kwartier lang. Nee, een geheel zijn the Telescopes niet: ieder zit in zijn eigen wereld en blijft daar ook. Toch klinken ze geweldig goed, zelfs als Lawrie in een hoekje achter de versterkers gaat zitten. En als ze klaar zijn? Dan pakken ze een biertje en lopen ze weg. Zo, dat hebben we ook weer gehad.

BuzzcocksEindigen doen we ook met opa’s. Deze keer in de versie van de Buzzcocks. Opa’s die al sinds de jaren 70 punk spelen, wat ze overigens nog steeds goed kunnen. Plezier met een hoofdletter P, dat hebben ze. Vooral zanger/gitarist Steve Diggle. Die voelt zich nog even goed als dertig jaar geleden. Solo na solo, rockpose na rockpose. Het ziet er alleen wat houteriger uit dan toen hij 27 was, maar hij kan het nog wel. Diggle eist dan ook alle aandacht naar zich toe, wat de overige Buzzcocks verder geen probleem vinden. Die spelen wat ze moeten spelen, hit na hit, met natuurlijk Ever Fallen In Love. Als dan de laatste noten gespeeld zijn, duikt drummer Danny Farrant nog even het publiek in. Crowdsurfend vlieft hij richting de trappen van de Dommelsch Zaal, waar hij op zijn eigen benen gaat staan, naast een stelletje. Gezicht strak en klappen maar. “Great show, isn’t it?”, zegt hij. “Moooooore!!” roept hij vervolgens. Britse humor.

Zaterdag:  Hark, Tu Fawning en Mogwai

HarkHark staat op het kleine podium in metalhol Little Devil. Ze stemmen de gitaren, ze draaien aan wat knopjes, lopen heen en weer en herhalen dat alles minstens drie keer. Dat levert wat vertraging op. De drie heren zijn wat perfectionistisch aangelegd. Maar na vijftien minuten gooien ze dan toch een bak progressive-power-sludge het zaaltje in. Hark is de nieuwe band van ex Taint frontman Jimbob Isaac. Zijn blonde krullen maken hem een charmante rocker die intens de zaal inkijkt. De ‘70 rock-achtige nummers worden gespeeld zoals het moet: hard, ruig en met veel haar.

Corrina Repp is in een niet al te beste bui. Het lijkt er op dat de zangeres van Tu Fawning het gehad heeft vandaag. De rest van de band kan haar gestolen worden. Echt lekker gaat het ook niet: de drumpad van drummer Joe Haege wil niet op zijnTu Fawningdrumstel blijven zitten en de synthesizer doet ook vervelend. Haege voelt het. In de stiltes tussen de nummers probeert hij uit pure nood iets leuks te vertellen. “We are here for what…48 hours?” Repp kijkt niet op of om en mompelt kortaf “sure”. Ze heeft het duidelijk met hem gehad. Misschien komt het door zijn spel: Haege drumt niet bepaald strak. Als Repp na enkele nummers achter het drumstel kruipt, klinkt het meteen een stuk beter. Maar na een nummer ruilen ze weer om. Door de irritaties speelt Tu Fawning gespannen. Ook de violiste/toetseniste doet een poging om het gezellig te maken. “Are you having a great time at the Incubate festival?” De zaal reageert nauwelijks. Door de technische problemen is de band gedwongen eerder te stoppen, zeggen ze. Grappend pakt Repp een fles rode wijn: “This is how I solve technical problems!”

MogwaiOok de leden van Mogwai houden van wijn. Allen hebben een wijnglas achter zich staan en schenken dat zo nu en dan weer vol. De vijf heren zien er uit alsof ze net gezellig uit de kroeg gerold zijn. De ernst waarmee ze spelen bewijst het tegendeel. Deze mannen weten precies waar ze mee bezig zijn en willen dat zo goed mogelijk doen. De Schotse post-rock band speelt dan ook op het perfecte af. De soms vijftien minuten durende soundscapes werken hypnotiserend. Maar dan zijn er toch wat irritaties. Niet tussen de Schotten maar vanuit het publiek. Een meisje schreeuwt iets onverstaanbaars en herhaalt haar gekrijs enkele keren. Omstanders zijn verbaasd en gitarist Stuart Braithwaite kijkt woest haar kant uit. Het meisje gaat weg maar het publiek is onrustig geworden. Zelfs de boze blikken van Braithwaite helpen daar niet tegen.

Vrijdag: Malcolm Middleton, Busdriver en Andy Stott

Malcolm MiddletonHuman Don’t Be Angry is het pseudoniem van de Schotse singer-songwriter Malcolm Middleton. Samen met Aidan Moffat speelde hij onder de naam Arab Strap, een indie-formatie met elektronische invloeden. Met Human Don’t Be Angry staat hij in de Pauluskerk, of liever gezegd, zit. Hij is namelijk alleen, en zittend op een houten stoeltje zingt hij zijn liedjes en begeleidt hij zichzelf met zijn gitaar. Het is een verlegen jongen gekleed in een afritsbroek en met op zijn hoofd een groen petje. Hij ziet er uit alsof hij zo de wildernis in gaat, voor een survivaltrip van vier weken. Maar dat zou hij waarschijnlijk niet durven. Middleton is namelijk een beetje verlegen. Nauwelijks durft hij het publiek in te kijken en als hij tussen zijn liedjes door iets zegt, is hij onverstaanbaar. Nummers lijken op elkaar en zijn niet heel bijzonder. Liefdesliedjes zijn het, maar dan op het niveau van een vijftienjarige die voor het eerst een meisje leuk vindt. Twee keer zet hij verkeerd in, drie keer is hij zijn tekst vergeten. Arme Malcolm, hij zit er niet helemaal in vanavond.

Na de vreemde eend Kid Ink van woensdagavond krijgt hiphop een tweede kans op Incubate. Busdriver staat in de Cul deBusdriver Sac, het pseudoniem van Amerikaan Regan Farquhar. Hij is producer van onder andere Daedelus en is een van ’s werelds snelste rappers. Dat liet hij vooral horen in zijn versie van de Turkse Mars van Mozart, waar hij als een bezetene overheen rapt. Vanavond in de Cul gaat er van alles mis. Zijn apparatuur doet raar dus begint hij een half uur later dan gepland. Busdriver is niet de rapper die over standaard hiphopbeats heen rapt. Uit zijn apparaatjes haalt hij diepe elektrobeats. Niet gek dat Modeselektor hem gevraagd heeft om op hun laatste plaat MonkeyTown een nummer in de rappen. Ondanks zijn opzwepende beats lukt het hem niet om het handjevol toeschouwers op te laten gaan in zijn hysterische hiphop. Hij komt ook wat eenzaam over, zo alleen met zijn apparaatjes. Het geluid is slecht en Busdriver’s stem blijft te veel boven zijn beats uitkomen. Hij doet z’n best, danst rond op het kleine podiumpje, schudt met z’n hoofd als een echte dj, maar het lukt niet.

Het blijkt een avond te zijn waarin veel misgaat. Andy Stott, de Britse dub en techno dj, staat in 013 en begint twintig minuten te laat. Dat maakt hij al snel goed met de donkere klanken die hij uit zijn laptop haalt. Stott begint langzaam, laat het publiek even warm worden, en bouwt langzaam op naar diepe techno met Afrikaans klinkende melodieën. Alles lijkt goed te gaan, maar dan hapert zijn apparatuur. Andy kijkt verbaasd en boos tegelijk. Hij gaat door, maar na een paar minuten vallen er twee korte stiltes in zijn set. Met grote ogen scheldt hij zichtbaar zijn Apple uit. Toch maar weer door. Van de ‘voodoo techno’ gaat hij moeiteloos over in jaren 90 jungle. Toch blijft Stott gespannen. Af en toe trekt hij een ‘dat ging maar net goed’ gezicht. En dan gaat het toch weer fout. De muziek stottert. We kunnen veel flauwe bijnamen bedenken voor Andy Stott…maar we doen het niet. Dat is zielig voor de Brit. Hij doet zo zijn best en zijn set klinkt geweldig. Maar na minder dan een uurtje draaien, slaat hij dan toch gefrustreerd zijn laptop dicht. Kapot. Andy wijst verontwaardigd naar zijn muziekmaker: “Zijn schuld! Niet de mijne!”

Donderdag: Nils Frahm en Sleepy Sun

Nils FrahmHet ergste wat een muzikant kan overkomen, is een van zijn vingers breken. Nils Frahm deed het met zijn duim. Hoe hij dat deed wordt niet duidelijk tijdens zijn optreden in Paradox, maar hij vertelt wel even wat zijn dokter allemaal zei: “Welk instrument je eigenlijk niet moet bespelen als je je duim breekt? De piano. Welke wel? Drums.” Dus heeft Frahm twee stokjes en drumt hij op de snaren van zijn vleugel. Een prachtig donker geluid komt er uit. Daarna neemt hij toch weer plaats achter zijn piano. Grapje. Nils Frahm is zo’n artiest die je op straat niet zou herkennen. Een doodnormale Duitse pianojongen met een donkerblauwe slobbertrui. Enige wat opvalt zijn z’n sokken: rood met wit en blauw geblokt. Ze steken vrolijk onder zijn opgestroopte broekspijpen uit. Het is een groot contrast met zijn gezicht als hij speelt. Geconcentreerd en met gebogen hoofd speelt hij zijn neo-klassieke, ambient achtige nummers. Vervolgens draait hij zich naar de synthesizer die ook op het podium staat. Hij haalt er Berlijnse, melodieuze techno uit, die doet denken aan de platen van Pantha du Prince. Dan staat hij op. Hij heeft een vrijwilliger nodig. Een jongen stapt het podium op en roept twee vrienden er bij. Alleen is toch een beetje eng misschien. Frahm legt uit wat hij moet doen en kijkt de pianist bedenkelijk aan. “I’ve only played the piano when I was five….” Frahm kijkt hem glimlachend aan. “But I explained it in a way even a five year old can understand.” Haha, die Nils Frahm.

Sleepy Sun had een zangeres maar nu niet meer. De psychedelische rockband uit San Francisco speelde lange tijd metSleepy SunRachel Fannan maar in 2010 verliet ze de groep. Ruzie. De overige leden van Sleepy Sun waren volgens haar stomme jongetjes. Nu moet zanger Bret Constantino het alleen waarmaken. Als een Jim Morrison staat hij in de Kleine Zaal van 013 en zingt zijn partijen. Af en toe neemt hij een mondharmonica ter hand, of een sambabal of tamboerijn. Er is niets aan te merken op Sleepy Sun. Lange, uitgestrekte melodie-thema’s vullen de zaal en het klinkt goed, zelfs bijna perfect. Maar dat is juist het probleem. Perfectie kan saai zijn. Na een half uur pakt Constantino weer een tamboerijn en zet zijn zang in, maar we weten het nu wel. Er mist iets. En dat is Rachel Fannan. Zij zorgde voor dat kleine beetje extra wat er nu niet meer is. Die vrouwenstem maakte het wat meer sexy. Dan kun je nog zo hard je best doen om op Jim Morrison te lijken, niets kan op tegen een lieve vrouwenstem.  Hoe goed Sleepy Sun ook speelt, als er niets is wat het echt interessant maakt, houdt het op.

Woensdag: Bill Orcutt en King Midas Sound

Bill OrcuttBill Orcutt loopt al vier dagen in dezelfde kleding. Op het vliegveld is iets mis gegaan met zijn koffer, dus dit is het enige wat hij heeft. Met zijn gitaar neemt hij plaats op een simpel stoeltje in Paradox. Zijn schoenen heeft hij uitgedaan en achter hem gezet. Eenvoudigheid, dat straalt van dit voormalig lid van de noiseband Harry Pussy af. De muziek die hij uit zijn instrument haalt, is dat precies het tegenovergestelde. Hij ramt er onnavolgbare melodieën uit, waar af en toe, heel in de verte misschien een bluesschema uit te halen is. Misschien. Misschien ook niet. Wat wel vaststaat is dat Orcutt vol overgave zijn nummers speelt. Hij lijkt in een andere wereld te zijn en gaat daar zo in op dat hij luid mee neuriet. Grote klassieke musici als pianist Glenn Gould en violist Itzak Perlman deden dat ook. Zij waren briljant. Is Orcutt dat dan ook? Misschien. Misschien ook niet. Zijn nummers hebben allemaal hetzelfde soort ritme, dezelfde klank en hetzelfde tokkelgeluid. Orcutt trekt aan de snaren, zo erg dat zijn gitaar ontstemt. Het maakt zijn muziek nog wat chaotischer en bovendien ontoegankelijker. Een beest is het, totdat hij zich tot het publiek richt en vertelt over het debacle met de koffer. Dan is het gewoon de buurman van twee huizen verderop. Na ieder nummer blijft het even stil in de zaal. Is dit het einde? “That’s the end”, mompelt Orcutt, om aan te geven dat er nu geapplaudisseerd mag worden. Bill Orcutt, de eenvoudige maar geniale freak.

Dikke mist in 013. Diepe bassen en stroboscopen zorgen voor een lugubere sfeer. Na tien minuten verschijnt een vrouw achter de microfoon. Alleen haar silhouet is zichtbaar. Ze zingt, over de diepe dubstep heen. Dit is King Midas Sound.King Midas Sound De vrouw is de Japanse Kiki Hitomi en samen met dichter Roger Robinson maakt ze deel uit van het project van Kevin Martin, beter bekend als The Bug. Martin heeft vele projecten gehad, zoals God en Pressure, en heeft onder andere samengewerkt met John Zorn, Blixa Gargeld en El-P. Met hen maakte hij industrial hiphop en jazzcore. En nu met Hitomi en Robinson dubstep. Echte dubstep. Geen hysterische bliepjes en zaaggeluiden zoals Skrillex dat doet, maar diepe bassen, lome beats en rustige synths. Dubstep waarin de twee stijlen waar het genre uit ontstond – dub en 2step – duidelijk hoorbaar zijn. De mist die na een half uur nog steeds niet opgetrokken is, trekt de toeschouwer mee in de hypnotiserende nummers. Die nummers zijn hard. Bassen zagen het lichaam doormidden. Oordopjes zijn absoluut noodzakelijk. King Midas Sound kan in een adem genoemd worden met Burial en Kode9, grootheden van de (oorspronkelijke) dubstep. Absoluut een hoogtepunt van Incubate.

Dinsdag: Meindert  Talma en Kid Ink

“Ik ga nu een liedje a capella zingen. Dat is niet mijn sterkste kant, maar dat is zingen sowieso niet.”Meindert Talma Nee, Meindert Talma windt er geen doekjes om. Gewoon eerlijk zijn. Net als over zijn ideeën over voetballers. Die zouden baarden en vooral snorren moeten hebben. Net als vroeger. Hij heeft er  een liedje over geschreven. Met een oude KORG op schoot, zingt hij met de verontwaardiging van een achtjarig jongetje over voetbalsnorren die plaats hebben gemaakt voor potsierlijke tatoeages. Meindert Talma komt uit Sushuisterveen, Friesland. Lange tijd speelde hij samen met The Negroes, maar sinds 2010 speelt hij a

lleen. En dat gaat prima. Paradox luistert dinsdagavond lachend zijn talloze voetbal-anekdotes over voetballer Barry van Galen, ‘de geniale gek’. Talma is onhandig en aandoenlijk, maar net niet genoeg om medelijden te krijgen. Hij vertelt zijn verhalen zoals hij dat aan voetbalvrienden zou doen. Zoals die over Johan. “Johan heeft altijd wat. Nu is hij weer dood.” Ook daar zingt hij een liedje over. Een mooi, gevoelig liedje met een ietwat grappige tekst. Wat serieuzer is zijn cover van het Bob Dylan nummer See My Grave Is Kept Clean. Talma heeft het letterlijk vertaald en heet in zijn versie Hou Alsjeblieft Mijn Graf Schoon. Het enige nummer in de set waar niemand om lacht, maar wat wel het meest indringend is. Zingen mag dan niet zijn sterkste kant zijn, maar een tekst overbrengen kan hij als geen ander.

Wie dat ook kan, is Kid Ink. Maar dan op een geheel andere wijze. Brian Collins, zoals hij eigenlijk heet, is 26, kom uit LA en rapt. Dat doet hij op een manier zoals velen dat voor zijn tijd al deden: over bitches en money. En zoals dat soort rappers meestal doet, stapt Kid Ink als een koning het podium van de Kleine Zaal in 013 op, draagt een grote zwarte Kid Ink - 013 - 11sep - Mcklin - 003szonnebril en een ferme pet. Daar staan vier andere grote mannen; de een rapt alvast wat, de breedste van het stel is er voor de beveiliging. Minutenlang staat hij in het donker achteraan het podium. Hij wordt namelijk eerst muzikaal introduceert door verschillende bekende hiphopbeats waaronder Ni**as In Paris van Kanye West en Jay Z. Dan treedt hij eindelijk op de voorgrond en laat zijn rapkunsten horen. Tjsa. Kid Ink past prima in het straatje van grote gangsterrappers en weet dat ook van zichzelf. Na een kwartier trekt hij zijn shirt uit waarbij hij zijn volgetatoeerde lichaam uitgebreid aan zijn fans showt. Meisjes gillen. Met zijn broek op half zeven springt hij het podium over en gooit met water, net als zijn rapmattie doet. Stoere mannen en sexy meisjes in de zaal gaan uit hun dak, schreeuwen zijn teksten mee en aanbidden hem. Achterin staan de critici, de mensen die gehoord hebben dat dit een grote kan worden. Daar kijken de meesten elkaar verbaasd maar tevens vermoeid aan. “Dit is niks voor mij”, zegt men tegen elkaar, loopt naar de uitgang maar blijft toch nog even kijken. Want Kid Ink signeert petjes en als hij dan uiteindelijk ook zijn eigen pet in het publiek gooit, duiken zijn fans erop als hongerige hyena’s. Het tafereel is waanzinnig, maar ergens vragen we ons toch af waarom deze clichématige hiphopact op Incubate staat.
(Foto Kid Ink: Viktor van der Griendt)

Maandag – Angel Olsen en Napalm Death

Angel Olsen is lief. Samen met haar bassist Emmett Kelly zingt ze haar liedjes. Olsen en Kelly speeldenAngel Olsen al eerder samen op het laatste album van Bonnie ‘Prince’ Billy. Kelly bas, Olsen zang. Nu staan ze samen in Paradox en begeleidt hij haar. Dromerige gitaarliedjes waarbij het prachtige vibrato in Olsen’s fragiele stem zorgt voor een lichte spanning in de nummers. Kelly zingt de tweede stem en vult haar daarmee mooi aan. Een perfect liefdeskoppel zou het zijn. Deze zomer kwam Olsen’s nieuwe album uit, Halfway Home. Dat staat vol met breekbare liedjes. Toch komen haar nummers beter tot hun recht op een podium. Haar kwetsbare schoonheid voegt een extra dimensie toe aan haar bluesy folk liedjes, waardoor we ademloos blijven luisteren. Praten tegen het publiek doet ze bijna niet. Dat hoeft ook niet, haar muziek spreekt voor zich. De muisstille Paradox staat propvol en staart haar vol bewondering aan. De jongen aan de zijkant die net iets te hard tegen zijn vriendin praat, wordt snel de mond gesnoerd. Zo hoort dat op Incubate. We zijn hier niet de voor de gezelligheid, we zijn hier voor de muziek.

Even verderop, in de Kleine Zaal van popzaal 013, staat een legendarische band die het contrast met het tafereel in Paradox niet groter kan maken. De in 1981 opgerichte grindcore band Napalm Death stampt het podium op. Een podium dat voor zanger Mark ‘Barney’ Greenway te weinig ruimte biedt. Met grote gebaren doet hij drie Napalm Deathpassen naar rechts, en dan weer naar links. Hij zit gevangen. Zweet druipt van hem en de overige drie, woest behaarde mannen. De Britten hebben al heel wat albums op hun naam staan, wat Greenway ook even aanhaalt: “We have plenty of fuckin’ albums, but this is from our new one!” Veel verschil is er voor een grindcore-leek niet te ontdekken. Nummers zijn hard, woest en druipen van het zweet, maar de muziek is machtig.

Angel Olsen en Emmett Kelly hebben ondertussen plaatsgenomen aan een van de hoge tafels bij Café Babbus. Ze hangen, ze kletsen en genieten van hun biertje. Niemand die op of om kijkt naar de twee artiesten, niemand herkent ze. Wie wel herkent wordt, is Mark ‘Barney’ Greenway, die voorbij sjokt met een grote weekendtas. Een groepje metalheads bij de Ierse pub ziet hem: “Báárnnneey!!” Barney kijkt op, steekt woest zijn vuist in de lucht en strompelt verder. Olsen en Kelly kijken er naar en lachen. Dan staat Olsen op en geeft haar muzikaal begeleider een dikke zoen. Dus toch.