Het rijke muziekleven van Robert Jan Stips (deel 2)
Door op 06 april 2016

Artiest: Robert Jan Stips
By: Edwin Hofman
Date: 03/09/2016

Robert Jan Stips_Zodra de Nits aan het begin van het jaar met winterslaap gaan breekt voor toetsenist Robert Jan Stips traditiegetrouw de tijd aan om via een aantal solo-optredens zijn eigen, unieke muzikale erfenis aan te doen. Gezeten aan de piano speelt hij verrassende versies van songs uit heden en verleden. Bezoekers worden aangenaam heen en weer geslingerd tussen pop, rock, klassiek en vele anekdotes. Stips kan hierbij natuurlijk rijkelijk putten uit zijn verleden met Supersister, Golden Earring, Gruppo Sportivo, Sweet d’Buster, Transister, Nits en Freek de Jonge. Om over de vele andere (solo-)zijsprongen nog maar te zwijgen. Een mooie gelegenheid om via een uitgebreid interview nog eens door Stips’ lange en boeiende carrière te hinkstapspringen.

Deze week deel 2: over Golden Earring, Sweet d’Buster en de Nits. Over synthesizers en het werken in de studio.

Golden Earring

Midden jaren zeventig werd Robert Jan Stips gevraagd mee op tournee te gaan met Golden Earring. Uiteindelijk zou hij 4 Amerikaanse tournees en twee albums (Switch, To The Hilt) met de band doen.

Golden Earring‘Zij waren toen echt op zoek naar iets anders. Dat hebben ze wel vaker in hun carrière gehad. Ze zijn ook eigenlijk wel trendvolgers. In die tijd had je namen als Billy Cobham en Mahavishnu Orchestra. Zij luisterden daar thuis naar en wilden dat ook gereflecteerd zien in de muziek. Dat zal een van de redenen geweest zijn mij erbij te vragen. Het was een leuke tijd: rock-‘n-roll… Maar alles bij elkaar is zo’n tournee ook wel pittig. Als je drie maanden onderweg bent is het wel hard werken om sociaal en muzikaal gezien goed te blijven functioneren. De concerten liepen op zich wel, het spelen op zich kostte geen moeite. We speelden om de dag. Je vloog na een concert naar de volgende bestemming maar dan moet je toch weer wennen. Na een dag is het op die locatie dan alweer afgelopen.’

‘We zaten echt aan de top van het concertgebeuren; op de eerste toers hadden we limousines. Alle luxe waar je in Amerika van genoot kwam echter in de vorm van rekeningen naar Nederland. Daar had ik zelf gelukkig niets mee te maken. Ik was gewoon ingehuurd. Ik merkte wel aan de anderen dat het tegenviel, dat je met een wereldhit als Radar Love eigenlijk slechts quitte draait. We deden ook flinke investeringen in apparatuur. Daar hadden we eigenlijk geen ervaring mee. Het hele PA-gebeuren was van een heel ander niveau dan nu. Nu staat er meestal wel een goeie PA. Dat had je toen niet. We namen onze eigen PA mee, gigantische kasten. We wisten niet dat het ook klein zou kunnen. De band had in Nederland een PA gebouwd, naar eigen believen en die ging mee naar Amerika. Daar werd het later in elkaar gehakt zodat het niet allemaal meer mee terug hoefde.’

Sweet d’Buster, The Nits

Sweet d'Buster‘Sweet d’Buster? De eerste gedachte is ‘rhythm & blues’. Met een ‘speels’ randje… Hmm, dat klinkt een beetje lullig. Meer met een ‘extra’ randje, iets wat anderen niet hadden. Misschien was ik daar wel verantwoordelijk voor, als ‘niet-R&B-muzikant’. We hebben heel veel gespeeld, waren veel on the road. We hadden geen hits en kwamen niet op de radio dus helaas viel de group spirit soms weg. Er waren twijfels, het was soms ook lastig om met zijn allen de juiste beslissing te nemen.’

Stips produceerde in de late jaren zeventig niet alleen Gruppo Sportivo maar eveneens de toen nog onbekende band The Nits. In 1982 trad hij toe tot de groep.

‘Aad Link (roadie bij Sweet d’Buster en later manager van de Nits) en ik kregen een cassette van The Nits. Of we deze band wilden produceren. Wij meteen naar Paradiso, waar ze speelden. We hebben kennis gemaakt en bij CBS een platendeal bekokstoofd. Er moest wel een hit uitrollen. We hebben vijf nummers opgenomen, onder meer Tutti Ragazzi en een paar tracks die op de eerste plaat van The Nits (uitgebracht in 1978) terechtkwamen.’

‘Ik had begin jaren tachtig de juiste affiniteit met The Nits, met dat ‘Kraftwerkachtige’. Aad en ik hadden een boekingsbureau opgericht, Rock In Waterland. Aad boekte en organiseerde optredens voor The Nits. John van Vuuren deed dat voor Gruppo Sportivo. Op die manier probeerden we bands die ik produceerde te helpen met boekingen. We hadden een toer voor The Nits georganiseerd in Duitsland. Het was de eerste grote Duitsland-tournee en toen belde Alex (Roelofs, bassist) op dat hij niet wilde reizen. Dat was schrikken. Dit probleem moest binnen twee weken worden opgelost. Toen belden ze mij op: ‘Kan jij niet mee op synthesizer?’

In de studio

In de tweede helft van de jaren zeventig profileerde Robert Jan Stips zich als producer. Hij zat bijvoorbeeld achter de knoppen bij het destijds zeer succesvolle Gruppo Sportivo.

Gruppo Sportivo - 10 Mistakes‘Barry Hay (Golden Earring) had Gruppo Sportivo geproduceerd. Hij kwam naar me toe en zei: ‘Ik denk dat het meer iets voor jou is’. Hij heeft wel vaker van die heldere momenten (lacht). We wisten van de druk op Gruppo Sportivo maar we hebben ons er totaal niet aan gestoord. We gingen er (hautain) vanuit ‘alles wat wij doen is leuk’. Dat kwam misschien ook wel door het vertrouwen dat je in Hans Vandenburg had als songwriter. Ideeën waren er altijd. Kwam ie weer met iets en was het van: ‘Leuk daar kunnen we wel iets mee!’ Ik wil trouwens ook Peter Calicher noemen, een onderbelichte maar heel belangrijke figuur in de groep. Ja, Beep Beep Love was een hit in Engeland. We hebben daar veel gedaan. Ik herinner me dat ik met Jip Golsteijn (Telegraaf), destijds een zeer smaakbepalende journalist, in een vliegtuigje zat om de eerste optredens in Londen mee te maken. Maar Engeland is zo lastig. De zalen waren wel groot en met het publiek ging het goed maar je merkt gewoon dat het weer ‘verdwijnt’. Men is zo vergroeid met popmuziek. Het blijft gewoon niet aan de oppervlakte. Dat was een groot verschil met Amerika. Daar schreef men hoe bijzonder het was, je kwam helemaal uit Nederland. In Engeland las je er na een paar maanden niet meer over.’

‘Na Sweet d’Buster was ik actief met Transister (1979, 1980). Aad Link zat toen in Californië voor de opnamen van Shot Into The Blue (laatste album van Sweet d’Buster – zonder Stips – uit 1979). Hij belde me op: ‘Ze hebben hier polyfone synthesizers! Zal ik er eentje meenemen?’ Ze hadden daar twee merken: Prophet en Oberheim. Ik vond Oberheim wel mooi klinken dus is die het geworden. Ik heb die synth onder andere gebruikt op U.P. (soloalbum 1981).’

The Nits 1983Henk (1986) was de eerste plaat waar ik de PPG (digitale/analoge synthesizer) gebruikte. Dat was belangrijk voor de band. Ik kon nu voor het eerst met samples werken. Dan gaat er een wereld voor je open. Er waren natuurlijk regelmatig mensen van de platenmaatschappij enzo aanwezig bij de plaatopnamen. Vooral als je nog halverwege het hele proces zit en je dan iets laat horen blijkt soms dat die mensen er niets van snappen. Die luisteren er niet ‘doorheen’. Je moet een bepaalde fantasie hebben om de rest in te vullen, zeg maar. Bij zo’n luistersessie gebeurde het ooit dat zo’n A&R-man het ‘7 keer niks’ vond. Die begreep niet waar we mee bezig waren. En of we het wel af moesten maken. Bij Omsk (1983) was het de directeur van CBS die er niets van begreep. Hij heeft later nog zijn excuses aangeboden en gezegd dat ie nooit meer iets zou beoordelen.’

In 1984 werkten The Nits aan het album Adieu Sweet Bahnhof. Producer was toen Jaap Eggermont, bekend als drummer van Golden Earring in de jaren zestig en befaamd als producer van onder meer Sandy Coast, Earth & Fire, Spooky & Sue, Patricia Paay, The Surfers en vooral Stars on 45.

‘Het was een avontuurlijke samenwerking. Jaap stond er heel erg voor open, op een hele leuke manier. Hij was natuurlijk meester op het gebied van geluid. We maakten dat jaar vlak voor de zomer de demo’s. Dat klonk meteen al fantastisch. Dit gaat helemaal te gek worden, dachten we. Na de vakanties kwamen we terug en toen had hij allemaal nieuw spul gekocht, zoals een SSL-mengtafel. Hij was z’n vertrouwde stekkie een beetje kwijt en wij waren het eerste proefkonijn (lacht). Dat was even slikken. Soms wenste Jaap hartgrondig dat ie zijn ouwe spullen nog had…’

In The Dutch Mountains hebben we zelf direct op 2 sporen opgenomen, de ‘Sinatra-manier’. Dat hielden we heel strikt vol. Geen nabewerkingen of overdubs, heel spannend. Zodra Rob (Kloet) aftikte was het: focussen. Voor extra geluiden moest je dus mensen uitnodigen, het moest allemaal tegelijkertijd gebeuren. En het moest ook nog eens goed in balans worden opgenomen door Paul (Telman, geluidsman). Met 2-sporen krijg je iets ongrijpbaars op de plaat; een echte chemie. De verantwoordelijkheid die je ook hebt ten opzichte van elkaar… Als jij iets verknalt, verknal je misschien de beste take van een ander.’

‘Eind jaren tachtig verscheen Supersister op cd. Ik heb toen ook nog een paar dingen kunnen corrigeren, wat ‘hiccups’ weggepoetst (lacht). Ik al niet zeggen waar, dat werkt ontnuchterend. Destijds was het zo lastig om op te nemen omdat we van die lange stukken hadden. Moest je dat weer onderverdelen in behapbare, opneembare stukken. Dat was telkens akelig spannend, als je al die losse stukken weer aan elkaar moest ‘lassen’. Klopten die volumes eigenlijk wel? Je had in feite alleen de meters om op af te gaan. Even kopiëren kon niet zomaar want dan kreeg je er weer een dot ruis bij. Ik heb heel veel waardering voor de technici van die tijd.’

Lees ook: het rijke muziekleven van Robert Jan Stips deel 1.

Volgende week het derde en laatste deel in deze serie.

Foto Robert Jan Stips: Jan-Willem Bullée