Vox Luminis & Ensemble Scorpio – Fux: Kaiser-Requiem
Door op 08 september 2014

Op dit slotconcert verzorgden Vox Luminis en Ensemble Scorpio een programma met werken van de Oostenrijkse componist Johann Joseph Fux (1660- 1741), met als sluitstuk het Kaiserrequiem.

Voor Fux was de style antiquo, de polyfone componeerstijl, de basis voor liturgische muziek, zo schreef hij in 1725 in zijn Gradus ad Parnassum. En hij heeft veel kerkmuziek geschreven in de Palestrinastijl. Maar zijn Kaiserrequiem uit 1720 en andere werken na 1700 zijn al doortrokken van de style moderno – een door basso continuo begeleidde melodie. Ook de opeenvolging van concertino en ripieno – de solist tegenover de massa – past hij veelvuldig toe.

Van werken voor koor en orkest werden uitgevoerd Omnes Terra, Estote Fortes en Concessus est Mare, afgewisseld met een instrumentale sonate, het Benedicta Quae Lilium Es en een Alma Redemptor Matris, respectievelijk voor 2 en 1 sopranen. Na de pauze ging het requiem.

Vanavond stond als blikvanger een elegant positief opgesteld midden op het podium, met houten pijpen in een fraaie kas.

In de werken met koor waren de vocalisten – ook in het tuti – goed in balans met de instrumenten. De tekst prevaleerde en dat leidde tot een fraaie uitvoering. De relatief kleine bezetting zorgde voor een soepele kamermuzikale uitvoering: in tegenstelling tot het concert van Concerto Palatino – waar ook geen dirigent aanwezig was – waren deze ensembles gelijk met de inzetten en daarbij meester in de plotselinge dynamische wisselingen, zodat het publiek bij elk accent verder in de muziek werd gezogen.

De Sonate in G, K347 werd uitgevoerd met vijf instrumenten met elk een eigen kleur. Het contrast dat dat opleverde was verbluffend. De elasticiteit van het samenspel viel op en met name Carles Cristobal maakte indruk door de razendsnelle loopjes die hij moeiteloos op de fagot uitvoerde.

Benedicta Quae Lilium Es – een cantate voor twee sopranen, die niet voor elkaar onder deden. Alma Redemptoris Mater was een innig duet tussen sopraan Sara Jäggi en trombone, met begeleiding van twee violen en violone.

Het Kaiserrequiem werd geschreven in 1720 voor de begrafenisplechtigheid van Eleonora, weduwe van Leopold I. Het werk werd in de daaropvolgende 23 jaar nog negen maal uitgevoerd, onder meer op het feest van Allerheiligen en op de begrafenis van keizer Karel VI, waaraan het werk de naam Kaiserrequiem te danken had. In dit werk gaat Fux zich te buiten aan alle barokke stijlen die hij beheerst, met uitzondering van de Da-Capo aria. Tekstuitbeelding paste hij veelvuldig toe: een trombone luidt de ‘laatste bazuin’ in en met stijgende figuren werd ‘de morte transire ad vitam’ (van de dood overgaan naar het leven) beeldend getoonzet.

Het fraaie orgeltje leek symbool te staan voor de galante muziek en de uitvoering ervan tijdens dit concert. Het requiem had hier en daar wat minder gepolijst gekund. Zelfs het ‘tremor est futurum’ was weinig afschrikwekkend. Het had soms meer weg van een Tafelmusik. Richting het eind van dit requiem ging de polyfone stijl overheersen. Zo eindigde dit festival, mede dankzij de verzorgde uitvoering, in verheven sferen.