Van Wodka En Weemoed
Door op 13 februari 2011

Genre: Klassiek
Loc_venue: Concertgebouw
Loc_city: Amsterdam

In de maand februari staat het programma van het Amsterdamse Concertgebouw in het teken van Wodka En Weemoed, juist: Rusland! Het festival heeft haar hoogtepunt op dinsdag 8 en woensdag 9 februari wanneer het Orkest van het Mariinski Teatr onder leiding van Valery Gergiev een aantal klassieke topwerken uitvoert. De klassieke redactie van Written in Music was aanwezig in de personen van Carl Puhl (dinsdag) en Didi de Pooter (woensdag). Gergiev

Dinsdag 8 februari 2011
Sjostakovitsj – Vijftiende symfonie
Strawinski – Capriccio
Tsjaikovski – Francesca da Rimini

De zaal was vrijwel uitverkocht en er hing een sfeer van gespannen afwachting. Vanaf de eerste tonen werd duidelijk dat dit een fenomenale uitvoering van deze prachtige symfonie zou worden. Ik ben in zoverre bevooroordeeld, want de 15e symfonie van Sjostakovitsj is een van mijn favoriete klassieke werken. De symfonie werd gisteravond in mijn oren perfect uitgevoerd. Een groot aantal memorabele muziek-momenten hebben mij veel luistergenot bezorgd. Ook al begint de symfonie met frivole klanken en doorspekt met het thema uit Rossini’s Wilhelm Tell overture, toch horen we hier al de diepe treurigheid die we in alle werken van Sjostakovitsj terug vinden. De symfonie bevat verder veel rustige chorale stukken, maar deze worden afgewisseld met zeer luid aanzwellende stukken.

Met een duur van net onder de twintig minuten is het Capriccio van Strawinski een pianowerk dat op mij vaak gejaagd overkomt. De uitvoering van dinsdagavond bevestigde dit alleen maar. De Russische pianist Denis Matsuev zorgde voor veel virtuositeit in zijn spel. Door krachtige bewegingen werd duidelijk dat hij geheel in zijn spel opging. Het samenspel tussen solist en orkest was prima en de uitvoering was zeer spannend.

Toen ik het programma voor het eerst onder ogen kreeg, was ik eigenlijk een beetje teleurgesteld. Twee moderne componisten en dan afsluiten met een werk van Tsjaikovski? Okee, het was een Russische avond, maar dit klopte gewoon niet. Ik was vooraf niet bekend met deze symfonische fantasie, maar verwachtte er niet al te veel van. En mijn verwachtingen bleken bewaarheid; een typische Tsjaikovski compositie met veel bombastische en pathetische momenten. Al moet ik bekennen dat vooral het rustigere gedeelte erg Russisch aandeed. Ik waande me in Sint Petersburg, zag beelden van de Isaak cathedraal, de Hermitage, de oevers van de Neva, enzovoorts. Als het werk niet zo goed uitgevoerd werd zou het een tragisch einde kunnen zijn van een veelbelovend avondje klassieke muziek. Gelukkig zorgden Gergiev en het Mariinski ervoor dat het op een of andere manier toch een spectaculaire afsluiting werd. Als beloning voor ons applaus kregen we nog het Adagio uit het Zwanenmeer te horen.

Woensdag 9 februari 2011
Tsjaikovski – Romeo en Julia
Prokofjev – Suite (uit Assepoester)
Sjostakovitsj – Veertiende symfonie

Een toegift zat er woensdagavond niet in. Aan het enthousiaste publiek lag het niet, dat ging bijna op de Concertgebouw-stoelen staan – klapstoeltjes en plastic heupen ten spijt. Het leek wel een basisschool op schoolreis, met maestro Gergiev als de hunk van de klas waar iedereen in devote toewijding voor neerbuigt. Het applaus was best aardig, maar werd een ware onweersbui zodra de dirigent zich omdraaide om het in ontvangst te nemen.

Nee, aan het publiek lag het niet. Het was vooral het laatste stuk op het programma dat een toegift onmogelijk maakte. De veertiende symfonie van Sjostakovitsj had musici en toehoorders murw gezwiept, gepiept en geschreeuwd. Het is eigenlijk een reeks liederen met een nogal duister thema: de dood.

Het orkest ging aardig mee in de grillen van de componist, maar voor de zangers was het een uitputtingsslag. Sopraan Olga Sergeyeva bracht het er het beste vanaf. De theatrale teksten van dichters als Rainer Maria Rilke kregen ondanks de wat schrale muziek een dramatische uitvoering. Sergeyeva’s duet met één enkele cello klonk hartverscheurend prachtig. Ik kreeg er kippenvel van, maar de andere toeschouwers slechts keelkriebels. Bas Yuri Vorobiev bezorgde zelfs mij keelproblemen. Zijn klank was soms zo geforceerd dat de zanglijnen een brulbrij werden.

De andere twee sprookjesachtige stukken waren vlekkeloos. Vooral het donkere sonore geluid van de strijkers viel op. Dat was zo on-strijkerachtig dat de blazers meer ruimte kregen en de violen eens niet voortdurend haantje de voorste waren. Een verfrissend geluid dus!

De belangrijkste vraag voor mij – Gergiev-maagd – was natuurlijk: hoe is de maestro? Welnu… hij was kleiner dan ik me van zo’n geweldenaar had voorgesteld en… hij is hartstikke kaal! Maar los van zijn ouder wordende uiterlijk blijft zijn persoonlijkheid overeind. Hij is aanwezig, dwingend, de baas, houdt zijn orkest wakker met zijn vreemd fladderende slag, raakt de strijkers bijna aan met zijn handen en komt armen te kort, maar bovenal: hij weet van weemoed (expressieve Prokofjev) en wodka (die krankzinnige Sjostakovitsj-symfonie).