Tallis Scolars – De monte & Isaac
Door op 06 september 2014

De Tallis Scholars – met Peter Phillips als oprichter en dirigent – waren er al bij tijdens de tweede editie van het Festival Oude Muziek in 1983.  Op 4 september waren ze – na negen jaar afwezigheid – weer terug. Ondertussen heeft de tijd niet stilgestaan, al is de praktijk van het middentoon-zingen aan hen voorbijgegaan. De cantus-sectie in het bijzonder heeft een verjongingskuur ondergaan, wat resulteert in een heldere en elastische klank. De mannenstemmen zijn onmiskenbaar op de Anglicaanse leest geschoeid, klinken krachtig en hebben persoonlijkheid, zoals meteen blijkt bij het eerste werk, Laudate Dominum van Philippus De Monte (1521-1603). De lange koortraditie reikt in Engeland verder dan deze muziek oud is. De werken van De Monte doen daardoor vanavond denken aan die van William Byrd.

Vloeiend als gordijnen schuiven in De Monte’s Peccantem Me de stemmen over en langs elkaar, tot ze even – dissonerend – aan elkaar blijven haken. Enorm lyrisch en verheven uitgevoerd.

In het Credo van de Missa Sine Nomine is het tempo wat aan de snelle kant en worden gesyncopiseerde figuren te sterk aangezet, waardoor hele passages aan gratie inboeten.

Voor de pauze wordt het concert ontsierd door ergerlijke piepgeluiden van een gehoorapparaat. Festivaldirecteur Xavier Vandamme betreedt hierom voor aanvang van het tweede deel het podium en verzoekt om dit probleem – desnoods geholpen door een buurman – op te lossen.

In Stellam Quam Viderant Magi heeft De Monte veel variatie aangebracht door telkens een paar verschillende stemmen te koppelen – in alle mogelijke samenstellingen – en dat te laten afwisselen met de totale koorklank.

Het vijfstemmige Tota Pulchra Es van Heinrich Isaac (ca. 1450-1517) is in enkele bezetting uitgevoerd, dat een grote spankracht vergt van de zangers. Het tempo is niet traag en toch wordt de indruk gewekt dat de tijd stilstaat. Tegen het eind speelt Peter Phillips – bijna symfonisch – met de dynamische verschillen.

Virgo Prudentissima (Isaac) is gedacht in grote massieve klankblokken met daarbinnen snel heen en weer schietende stemmen. De muziek van Isaac klinkt realistischer, aardser en zijn melodieën zijn onstuimiger dan die van De Monte.

Na tijdens het slotapplaus tweemaal te zijn teruggekomen, kondigt Philips een toegift aan: Thomas Tallis’ zoete O Nata Lux, waarvan het venijn – een afgrijselijk mooie dissonant – hem in de staart zit.