Robeco Zomerconcerten: Mozart, Tsjaikovksi en Dvořák Door op 19 juli 2012

Gig_title: Robeco Zomerconcerten
Genre: Klassiek
Loc_venue: Concertgebouw
Loc_city: Amsterdam

De Parijse Symfonie van Mozart (Nr. 31 in D majeur) bestaat in twee uitvoeringen, namelijk K 297 en K 300a. Het verschil zit hem in een herschreven tweede deel. Woensdagavond 18 juli 2012 werd door het Nederlands Symfonieorkest onder leiding van Jan Willem de Vriend de originele versie uitgevoerd, namelijk K 297. De symfonie heeft een snel-langzaam-snel opzet en mist het zogenaamde minuet. Mozart schreef het werk in 1778 in Parijs voor een voor die tijd opvallend groot orkest. Tegenwoordig zijn we echter wel grotere bezettingen gewend. De Parijse Symfonie komt op mij over als een van de meer luidruchtigere werken van Mozart. De beide snelle delen zijn doorspekt met vrolijke en energieke noten. Dit karakter werd goed weergegeven door het spel deze avond. Het rustigere gedeelte kreeg voldoende aandacht en werd prachtig uitgevoerd met een opvallende aandacht voor detail, maar zonder de melodielijn te verliezen.

De Rococo-variaties van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski bieden de cellist de mogelijkheid om zijn kunsten te vertonen. Als het werk goed uitgevoerd wordt is het een lust voor fans van dit instrument. Jean-Guihen Queyras zorgde voor vuurwerk en spektakel. Met geen pen valt te beschrijven wat er door mij heen ging tijdens het beluisteren van dit werk. Rococo is een kunstvorm met veel aandacht voor het detail. De kunstobjecten die tot deze stroming gerekend worden creëren daardoor afstandelijkheid in plaats van warmte. Gelukkig was dit niet het resultaat van het spel van Jean-Guihen Queyras. Souplesse, subtiliteit, oog voor detail en zwier. Het werd een onvergetelijk muzikaal moment met als toegift de Sarabande uit Bach’s Eerste Cello Suite.

De Negende Symfonie van Antonín Leopold Dvořák is een klassieker pur sang. Iedereen kent wel een melodietje zonder te weten dat het van deze Tsjechische componist komt. De symfonie hangt van volksliedjes en volksdansjes aan elkaar, maar dan wel op een geniale manier. Jan Willem de Vriend wist met het Nederlands Symfonieorkest deze genialiteit aan het daglicht te brengen, zodat het publiek er ten volste van kon genieten. Het was een feest der herkenning, maar ook een feest voor de oren. Met de ondertitel Uit De Nieuwe Wereld gaf Dvořák aan dat hij gebruik had gemaakt van themas gebaseerd op “Amerikaanse negermelodieën” en de “eigenaardigheden van de indianenmuziek.” Ik heb in de Negende Symfonie eigenlijk nooit iets anders dan Boheemse klanken herkend, maar dat doet verder niet af aan de genialiteit van het werk.