Ars Antiqua Austria, Gunar Letzbor – Aufschnaiter & Biber
Door op 01 september 2014

In de San Marco in Venetië was het gebruikelijk om meerdere koren en orkesten tegenover elkaar te plaatsen op de balkons. Het effect dat dit op de klank van de muziek had moest geweldig zijn. Componisten als Willaert en de beide Gabrieli’s maakten in hun composities handig gebruik van deze mogelijkheid. Deze praktijk van meerkorigheid werd ook populair buiten Venetië en zeker componisten in dienst van de Habsburgers wisten hier wel raad mee. Het gigantische uitvoeringsapparaat waarover de hofkapellen beschikten stelde hen in staat om indrukwekkende composities te schrijven.

De avondconcerten van het Festival Oude Muziek zijn dit jaar bijna zonder uitzondering gewijd aan geestelijke muziek, bedoeld voor een uitgebreid instrumentarium. Dit concert met onder meer de Missa Alleluia van Heinrich Ignaz Franz Biber (1604-1704) voor zesendertig stemmen spant hierin de kroon.

Artistiek leider Gunar Letzbor heeft ervoor gekozen om de sopraanpartij uit te laten voeren door jongens. Een goede keuze. Hij volgt hiermee de Barokke praktijk dat er geen vrouwen in het kerkkoor werden toegelaten en hij verhoogt de gun-factor bij het publiek enorm. De hele avond waren ze paraat, in matrozenpak, drie jongens van de St. Florianer Sängerknaben. De aandacht wordt een fractie verlegd van de muziek naar degene die de muziek uitvoert. Niet dat de muziek dat nodig heeft, maar ze moet het niet hebben van ingenieuze melodieën, meer van beeldende contrasten, waardoor de luisteraar van de ene verbazing in de andere valt. Dat geldt zowel voor Bibers mis als voor de vespers van Benedikt Anton Aufschnaiter (1665-1742).

Deze kapelmeester in Passau publiceerde in 1609, vier jaar na zijn aanstelling aldaar, zijn opus 5: Memnon Sacer ab Oriente – muziek voor het avondgebed, de vespers.

De Venetiaanse grandeur is er evident en wordt door Ars Antiqua Austria overtuigend voor het voetlicht geplaatst. De solisten – negen zangers – vormen samen het koor en staan voor het orkest. Een etage hoger staan twee clarino-blazers opgesteld. In de tutti-passages – waar koor en orkest op volle sterkte opereren – worden de zangers helaas door de instrumentalisten overstemd. Koorpassages worden afgewisseld met concertante gedeelten voor één of meerdere stemmen, vaak zonder onderbreking, waardoor elk werk een prachtig mozaïek ontvouwt. Alle mogelijke middelen worden aangegrepen om de tekst uit te beelden. Zo begint Confitebor Tibi Domine als een aria, waarbij de melodie van de ene op de andere zanger overgaat, begeleidt door enkel viool, cello en orgel, waarna bij de tekst – vertaald – “Grootmachtig de daden des Heren” de bassen sonoor een thema inzetten, dat zich breeduit polyfoon vertakt. “Gloria Patri et Filio” – de telkens terugkerende doxologie – wordt doorgaans apart aangezet, maar in Beatus Vir schuift het quasi ongemerkt de psalm binnen, waarna met “Sicut erat” alsnog een majestueus slot volgt.

De elasticiteit van de sopranen blijkt in het bijzonder in de opening van Laudate Dominum, waarbij de overbindingen heerlijk blijven hangen. En in het Benedictus van Bibers mis wordt van hen een driestemmige hymne verlangd, die nog in Mozarts Zauberflöte resoneert. De alt uit het jongenskoor, Alois Mühlbacher, begint met een matige solo, maar herpakt zich en blijkt te beschikken over een muzikaal uitlevingsvermogen, waarin hij Markus Forster, zijn naaste collega, overtreft. Het vocaal ensemble kan leunen op de met goud overtrokken basso profundo van Gerhard Kenda en tenor Markus Miesenberger staat overtuigend te verkondigen als was hij de psalmdichter zelf.

Gunar Letzbor kiest niet altijd voor de eenvoudige weg en laat keuzes soms afhangen van het moment. Dit komt hier en daar tot uiting in ongelijke frasering, maar daar staat tegenover dat de musici tot het uiterste geconcentreerd blijven. En ook al is de afstand tussen de hoge en lage stemmen groot, de ensemblezang – wanneer bijvoorbeeld driestemmig wordt gezongen – leidt daar niet onder. Meer dan eens echter geeft Letzbor een inzet aan met een weids gebaar, waarop de muziek zacht begint, wat een merkwaardig tafereel oplevert.

Na de pauze komen voor Bibers Missa Alleluia twee zinken het orkest versterken en voegen zich pauken en vier trompetten en bij de clarino’s om een zesendertig stemmen tellend weefsel te borduren. Het effect is magistraal. De mis begint feestelijk: het Kyrie heeft het karakter van een alleluja. Explosief en syncopisch. Verschuivende ritmes geven dit doorgaans zo ingetogen begin een dansant karakter. Op de woorden ” Et incarnatus est” klinkt, met de trombones in de begeleiding, een dans… een dodendans. En het Benedictus is adembenemend.

De veelstemmigheid wordt bereikt door enorme klankerupties, wanneer veel instrumenten tegelijkertijd plotseling inzetten. Op andere momenten beginnen twee stemmen een eenvoudige canon, die langzaam uitwaaiert over het hele ensemble.

Het was niet alleen maar halleluja. De hik-effecten, zo staccato als Letzbor ze wilde, klonken in deze akoestiek overdreven hakkerig. De klankmassa wordt tegen het eind zo opgeschroefd, dat het afsluitende “dona nobis pacem” verzandt in een bombastisch geheel, waarin de zangers compleet ondersneeuwen. Het publiek was hoe dan ook enthousiast en over het geheel genomen was dat zeker terecht: de vrede moest wachten tot na een overweldigend slotapplaus.

Het concert is terug te luisteren achter de knop “Zomeravondconcert” op:

http://www.radio4.nl/gids/2014-08-31

epiloog:

De man naast me was speciaal voor dit concert uit Praag naar Utrecht gereden. Trots wees hij alle Tsjechische ensembles aan in de Festivalgids. Terwijl ik deze recensie schrijf scheurt hij de 860 kilometer naar huis terug om de volgende ochtend zijn dochtertje naar school te kunnen brengen. De overige Bohemen, de musici, blijven nog een tijdje in Utrecht en zijn op 1 september om 17:00 uur in de Geertekerk te beluisteren met een instrumentaal programma onder de titel Musica Austriaca. Uitgevoerd worden werken van onder meer Weichlein, Aufschnaiter en Biber.