Immer onvoorspelbare Doherty verrast ook op Gent Jazz
Door op 19 juli 2017

Gig_title: Immer onvoorspelbare Doherty verrast ook op Gent Jazz
Genre: Jazz, Roots, Alternative
Loc_city: Gent
Loc_country: Belgie

We moeten nog bekomen van de vorige festivaldag met Shabaka & The Ancestors, Kamasi Washington, Robert Glasper en een handvol durvers annex vernieuwende jazzbelgen (Hoera!, STUFF.). Op het programma vandaag: opnieuw véél binnenlands talent, een getroubleerde Britse troubadour die de Brexit Blues van zich afschudt, en een Gentse schone die het ook in het buitenland bijzonder goed doet.

Stadt

Gent, waar zat u eigenlijk ? Voor slechts een handvol mensen opende Stadt de festivaldag en bracht een best experimentele set, met vele prikkelende laagjes. Stadt is naar eigen zeggen een ’schaduwproject’ waarin wat diverse eigenzinnige muzikanten huizen als pianist/gitarist Fulco Ottervanger (Gents stadscomponist, De Beren Gieren), drummer Simon Segers (De Beren Gieren, Black Flower), gitarist Frederik Segers en bassist Joris Cool. Vooral Fulco leeft zich volledig uit op keys en effects en hanteert daarbij vaak een aan Mick Jagger (Rolling Stones) verwante zangstijl.

Tijdens Gent Jazz bracht de groep een hoop nieuw werk, aangevuld met ouder werk uit Escalators (2015) en Some Kind Of Diversion (2013) waarmee ze de grenzen tussen jazz en (psychedelische) indierock onderzochten. Als alles in de plooi viel hoorde je hemelse harmonieën en warmbloedige rock die popgevoeligheid en dwarsigheid aan elkaar koppelde. Hun tegendraadse krautgrooves en fuzzy psychedelica met een poptoets (met veel invloeden van o.a. The Beatles) sloeg erg aan. Net als de manier waarop Fulco Ottervanger het gemis aan publiek opving overigens, namelijk met een guitige kwinkslag (”het wordt stilaan donker in de zaal”).

De groep, die live best sterk uit de verf kwam, stond best vroeg geprogrammeerd. Dat is ergens jammer, in die zin dat je aanvoelde dat er veel meer uit de groep te halen viel dan dat ze hier in dit relatief kort bestek konden laten horen. Hun passage leverde echter meer dan genoeg prikkeling om ons benieuwd te maken naar hun nieuw album bijvoorbeeld en naar concerten van hen in een wat meer nachtelijke clubsfeer waar ze die mix van song en improv nog meer kunnen uitspelen.

Ivy Falls

Goed opgewarmd door de frisse set van Stadt trokken we naar Ivy Falls, de groep waarmee frontvrouwe Fien Deman I Will, I Swear achter zich liet. Een nog jonge groep, zo stellen we vast, met een binnenkort te verschijnen debuut EP Mean Girls onder de arm. Deman liet verstaan dat het een lange zoektocht is geweest die zich nu eindelijk concretiseert.

Een zo goed als volledig in het maagdelijk en hoopvol wit gestoken Ivy Falls bracht voor een goed gevulde Garden Stage fragiele droompop in het verlengde van Cocteau Twins en Mazzy Star ; een verleidelijke soundtrack bij zwoele, zomerse nachten met echo’s van de tachtiger jaren en The Cure-achtig gitaarwerk. Ivy Falls bracht songs met een droompopinsteekje, begeleid door een backing band met o.a. Trui Amerlinck (Tsar B), Xavier De Clercq (Sleepers’ Reign) en Simon Raman (Steiger) in de rangen.

Songs als Twelve en Silver wierpen zich op als kleine oorwurmpjes over onder meer nachtelijke verlangens en twijfels over existentiële keuzes, maar waren ons net iets te (v)luchtig om écht indruk te maken. Zo viel op dat sommige songs, onder meer door het gebruik van ijle synths en beats net iets teveel uit eenzelfde geluidswereld afkomstig waren. Ach, wie weet.. “hold on, hold on”, zo tracht de uiterst oprechte Deman de vele luisteraars nog te verleiden.

Jenny Hval

Op naar de Main Stage, waar Jenny Hval optrad. De Noorse muzikante is, misschien op het grof geschut van de afsluitdag na (Einstürzende Neubauten, Fire!, DAAU,..), een van de meest intrigerende en provocerende artiesten op de affiche. Tenzij u uw albums ook Blood Bitch doopt en tot bloedens toe meermaals naar biased gender politics verwijst, maar dat vermoeden we niet echt.

Om maar te zeggen: Hval laveert tussen theatrale pop en folk en getormenteerde singer-songwriter, maar heeft duidelijk ook kaas gegeten van electronica en avant-garde. En van shopping, want Hval gaf klaarblijkelijk erg veel om een bijzondere visuele inkleding.

Een uiterst excentrieke eend in de bijt dus, die – volledig trouw aan de spirit van het Gent Jazz festival – haar koppige, dwarse en eigenzinnige ding doet. Hval werd live versterkt door een hele batterij effectbakken en haar muzikale compagnon die haar begeleidde .

Hval was een beetje het contactgestoorde nichtje van Björk en Aphex Twin. Haar passage op het Gent Jazz festival kunnen we beschrijven als compromisloos. Ze doet op geen enkel vlak toegevingen en dat is maar goed ook, al viel wel op dat haar bijzondere performance eerder aansloot bij conceptuelere kunstvormen dan een regulier concert. Zo hulde ze zich onder meer in bijzondere gewaden en maakten ook enkele pruikwissels deel uit van het concert.

Het bleek moeilijk om echt vat te krijgen op de manier waarop ze haar artistieke muze bedwong. Ze besefte dat de achilleshiel haar wat afstandelijke houding was, maar maakte dat goed door openhartig haar unieke gedachtenwereld te tonen.

Hval bracht met haar theatrale performance nieuwe dimensies in de podiumkunsten aan: onder meer met spoken word, ijle beats en weirde songstructuren. Zo leek het even wel alsof ze verschillende persoonlijkheden – aan bod wilde laten komen. Erg origineel dus en op zijn manier ook vernieuwend. Al was het voor het gros van het publiek een wat taai verteerbare brok conceptual performance art. Memorabel was bijvoorbeeld het stuk waarbij ze minutenlang met een smartphone het aanwezige publiek filmde.

Hval een pracht van een artieste om wat diepgaander te leren kennen : ze beschikte over een bijzondere stem, maar ook haar (soms erg bizar) songmateriaal mocht er meer dan wezen. Verrassend sterk en verslavend goed. Net als bij een relatie: het ligt ingewikkeld.

Brain//Child

Terug naar het zijpodium waar het in Amsterdam opgerichtte Brain//Child ten dans speelde. Het vijftal met o.a. tenorsaxofonist Steven Dellanoye (die de door omstandigheden afwezige tenorsaxofonist .. hielp vervangen) en gitarist Artan Buleskaj in de rangen nam tijdens dit optreden special guest Bo Van Der Werf op saxofoon mee, met wie de groep ook samen tourde.

Bij aanvang van de set werd de groep nog wat geplaagd door technische issues (een streepje onverwachte feedback), maar al gauw vond de groep haar drive. We hoorden een set waarin verschillende texturen, sferen en moods aan bod kwamen.

Net als Ivy Falls heeft de programmatie van Brain//Child overigens veel te maken met de samenwerking tussen Gent Jazz festival en het Conservatorium. Gent Jazz bekommert zich immers duidelijk om de speelkansen van jong, binnenlands jazztalent en zorgt ook voor wat minder bekende bands die op die manier kennis kunnen maken met een internationaal jazzfestival.

Een goede zaak want het zou zonde zijn om op dergelijke festivals enkel oog te hebben voor de headliners. Het is overigens een groot en helaas maar al te wijd verspreid misverstand dat enkel en alleen die in het oog springende headliners de moeite zijn om er een glaasje gekoelde champagne bij te drinken. U onthoudt: we duiken het liefst maar al te graag in de marge die ontzettend vaak méér dan de moeite waard is om oog en oor voor open te houden.

Brain//Child dus, een groep die vooral uit haar erg fijne debuut (o.a. Casco en Indian Take Away) citeerde, maar vooral ook wellustige improvisatiedrang liet horen, zoals onder meer uit de heerlijk uitwaaierende afsluiter Wetty Sprinter bleek.

Misschien wel de meest bijzondere muzikant op die hele Gent Jazz affiche is faux enfant terrible Peter Doherty. De Brit lééft nog en dat wil best wel wat zeggen. Onze goede vriend Pete(r) draagt een hele hoop muziekgeschiedenis (en vast veel gezeik daarover) in zijn rugzakje. Denk maar aan Babyshambles (met wereldsongs als Fuck Forever en Albion) en natturlijk The Libertines.

Peter Doherty

Over drugs hebben we het natuurlijk niet, en al zeker niet in het geval van Doherty. Rest natuurlijk nog altijd de muziek. En die was eigenlijk prima. Niet echt iets om aan te merken. Recent bracht Doherty na Grace/Wastelands (een album dat opvallend vaak richting Serge Gainsbourg hintte) het nieuwe album Hamburg Demonstrations uit, dat een beetje de wederopstanding van de charmante muzikant moet begeleiden.

Verder viel vooral de stijl en de enorme flair en charme op van de rebelse dark poet Doherty, die zijn junkieverdriet nog steeds weet te vertalen naar opvallende pop/rocksongs. Zo speelt hij onder meer contrasten goed uit, zoals tijdens het aanstekelijke I Don’t Love Anyone (But You’re Not Just Anyone) waarmee hij zijn set voor een goed volgelopen Main Stage opende. Die werd al snel gevolgd door Last Of The English Roses.

Doherty, voor de gelegenheid voorzien van een marcelleke, citeerde vooral uit zijn solowerk, maar bracht vooral een erg rommelige set. Toch maakte hij als een van de vaandeldrager van de hedendaagse Britse muziekscène vooral werk van de valorisatie van zijn status. Zijn looks geven de indruk dat hij recht uit de goot lijkt te komen, maar op een podium wérkt die charme uitstekend.

De Britse muzikant amuseerde zich volop en dolde vaak met zijn medemuzikanten met wie hij soms een eigen onderonsje leek te houden. “Us against the world”, zo leek het wel. Het publiek zingt de teksten volop mee en moedigt aan. En af en toe lengt Doherty zijn junkieblues aan met streepjes mondharmonica.

Zo viel ons ook op dat zijn songs regelmatig handelden over de balans tussen artistieke en commerciële motieven. Een flinterdunne grens, zo bleek al gauw tijdens songs als Hell To Pay At The Gates Of Heaven.

Peter Doherty

Het beeld dat ons het meest bijbleef was dat van Doherty die zich als een onderschat en totaal misbegrepen kunstenaar aan het massaal opgekomen publiek toonde. Nu, hij maakte het zijn publiek ook niet altijd even gemakkelijk. Zo smeet hij meermaals zijn elektrische gitaar achteloos richting roadie, die handig het vervaarlijk door de ruimte zwevende instrument opving. Het is en blijft rock’n'roll natuurlijk, maar het kenmerkt de manier waarop Doherty tewerk gaat.

Altijd goed voor een handvol uitzinnige fratsen, die Doherty. Heel even zocht hij de front row op, om daar een uitzinnige fan te omhelzen. Iets later kreeg hij een drankje (gin & tonic) en een sigaret uit het publiek aangeboden, dat hij in grote dank aanvaardde.

Veel liefde tussen Doherty en publiek dus, wat ook te merken was aan de manier waarop Doherty de Gentse weide aansprak. In het Frans. Hij vroeg de aanwezige massa om wat “oh ooh ooooohs” mee te zingen, waarop het tegen dan dolgedraaide en uitzinnige publiek graag inging. Reden genoeg om alweer zijn meest weirde ingevingen te volgen (en dan nu énkel de mannen die iemand in een gevangenis kennen).

Het was werkelijk te gek wat hij daar op Gent Jazz allemaal uithaalde. Hét meest memorabele moment van zijn set bleek de afsluiting. De ploeg rond en met Doherty viel wat ongelukkig tegen de grote versterkers om. Doherty bracht veel entertainment en spektakel in de Main Stage, al willen we vooral aanstippen dat het een genot was om hem gelukkig te zien wezen op dat podium. Los van alle mythologie en andere zever in pakjes, bleek Doherty vooral een rastalent die misschien erg gulzig het leven opslorpte ten dienste en meerdere glorie van de kunst.

Mount Soon

Even terug naar de Garden Stage rennen voor Mount Soon. Alweer een aardige portie Binnenlands talent, dat het tot op het podium van Gent Jazz schopt. Voor het eerste debuutalbum werd samengewerkt met Koen Gisen (Flying Horseman) in de Gentse La Patrie en dat is een goed teken aan de wand.

De rootsy indierock en americana (Awe And Wonder, Highway) werd erg goed gesmaakt. Dat de sound al eens wat geurde naar Radiohead of Bon Iver, namen we er dan graag bij.

We hoorden een band die al van bij het begin op dreef was, geleid door de bezielde zang van frontman Nick Fransen. Knap ook hoe de groep al snel ruimte maakt voor intieme akoestische pracht en diepte. Het uiterst sfeervolle I’ve Been Dreaming deed dagdromen, waarna de groep zijn rocksound sterker kon uitspelen.

We waanden onszelf al eens op een of andere donkere highway, waar lui als Matt Watts of een Townes Van Zandt al eerder over schreven. Een heel erg aangename kennismaking was dit. Kortom : de ideale voorbode voor de duistere rock sounds van Trixie Whitley.

En dan was het de beurt aan de Gents-Amerikaanse Trixie Whitley, dochter van de legendarische, maar helaas veel te vroeg gestorven Chris Whitley. Trixie was al eens eerder te gast op het Gent Jazz festival, in 2010. Toen had ze de moeilijke taak om de door omstandigheden tijdelijk weggevallen soul brother Daniel Lanois te vervangen, iets waar ze met glans in slaagde.

Trixie Whitley

Whitley heeft inmiddels drie albums en talloze samenwerkingen op het CV (inclusief die met een rasartiest als Daniel Lanois in Black Dub), zoals onder meer met Marc Ribot met wie ze onlangs een concert in New York speelde.

Met het recente Porta Bohemica en Sway onder de arm maakte ze stevig indruk en dat deed ze ook tijdens haar Radio 1 sessie. Redenen genoeg om haar opnieuw uit te nodigen en haar het headline slot op te laten nemen. Verrassend genoeg trad ze hier aan in duobezetting met drummer Chris Vatalaro, die weliswaar polyvalent genoeg was om ook op bas en piano indruk te maken.

Haar optreden op Gent Jazz was in een woord een thuismatch. Je voelde zo dat het publiek veel liefde en warmte over had voor de Gentse zangeres, die zich onder meer laat beïnvloeden door Afrikaanse blues (Tinariwen, Ali Farka Touré) maar ook het familiale leven in haar werk steekt.

Gehuld in schimmige rook trok Whitley de set traag en bluesy op gang. Rauwe, bluesy aanslagen op haar gitaar maakten sierlijke krasjes in de ziel van het publiek. A Thousand Thieves diep in de nacht.

Trixie Whitley besefte dat ze het zich niet gemakkelijk had gemaakt. Drummer Vatalaro maakt vaart en zij hield het tempo mee bij. Begeleid door ronduit knappe visuele ondersteuning zag je hoe dit duo van de nood een deugd maakte. Gebruik makend van technologie (drumbeats), maar toch ruimte latend voor de kracht van de instrumenten (gitaar, piano) lieten Balladero en Whitley duidelijk verstaan dat ze er zin in hadden.

Net als tijdens een eerdere set op Gent Jazz passeerde een fraaie, lang uitgewerkte versie van I Can’t Stand The Rain. Iets verderop: een handvol Soft Spoken Words. Nog later speelde Trixie met een versterkte akoestische gitaar, al liet ze die na een technisch issue maar voor wat het was.

Van intieme solospots tot rauwere rocksongs, ze maakte het zich volledig eigen. Het illustreert goed hoe ze haar eigen muzikale bakens verzet. Ooit was ze het schuwe meisje dat debuteerde met rauwere, op gitaar gecomponeerde songs zoals Oh The Joy, nu is ze veeleer een levenswijze moeder die een internationale carrière beleeft en die ervaring genoeg heeft om dat op een “vree wijze” manier te doen.

Tekenend was de manier waarop ze ook nieuwe dingen uitprobeerde, nieuwe muzikale horizonten opzocht. Grote moeilijkheid was om die vaak fragiele songs (bijvoorbeeld een op piano gespeeld Closer) stand te doen houden tegen een er soms danig op los kwetterende massa. Het vergde veel moed, net zoals haar keuze om in duo te spelen.

Fijn ook dat ze eraan hield om de connectie met Gent, haar thuisstad uit te spelen. Voor de ene een wat kleffer moment, voor de ander oprechte emotie. Need Your Love begeleidde het zich stilaan in het zweet werkende duo Whitley-Balladero naar de finale. Een favorietje, o Gents publiek? I’d Rather Go Blind passeerde en maakte zo ruimte voor een kleine bisronde met onder meer The Visitor, een song over het geluk voelen en vinden in het schrijfproces. Nog een verstillend mooi Breathe You In My Dreams en dan zat het er echt helemaal op. Missie geslaagd, al was het geen gemakkelijk of voor de hand liggende set. Of zoals we eerder al eens schreven: Gentse eigenzinnigheid.

Blow

En dan gingen we de nacht in met Blow, een bende streetwise gasten die zoals op hun debuut EP te horen was verreweg de coolste jazz sounds in huis hadden. Met slechts twee saxophones en een drum zijn ze zo flexibel dat ze werkelijk overal kunnen optreden. Niets in de handen, niets in de mouwen. En spelen maar. De groep bouwde stapsgewijs een heuse livereputatie bij elkaar en doet die ook hier op het Gent Jazz festival alle eer aan. Dat leverde een al te geweldig jazzfeestje op, dat zowel speels plezier bevatte als liet horen dat je eigenlijk niet zo gek veel nodig hebt om sier te maken. Wat inspiratie en wat talent zetten je al een heel eind op weg.. .

Dit was alweer een erg geslaagde festivaldag. We zagen onder meer een hele hoop jonge Belgische bands zoals Brain//Child, Mount Soon en Ivy Falls die de schotten tussen jazz en pop wegwerkten en vooral met Jenny Hval het ontdekkingsgehalte van de festivalbezoeker sterk de hoogte in deed gaan. Peter Doherty slaagde erin om zijn eigen getroubleerde levenswandel in een dolgedraaide concert te vertalen en Whitley zorgde voor een geslaagde beurt als headliner. Met Blow had u dan weer alle reden om voluit te feesten alsof uw leven er daadwerkelijk van af hing.

Foto’s: Bruno Bollaert & Geert Vandepoele