Turan Dokht: Liefdevol juweel met Puccini-samples
Door op 06 juni 2019

Loc_venue: Muziektheater aan t IJ
Loc_city: Amsterdam
Loc_country: Nederland

Witte mannen moeten zich maar niet wagen aan hiphop of funk willen spelen. En blues misschien ook niet. Althans: zo willen de geijkte stellingen. Met dreadlocks rondlopen als verlopen hippie inclusief tie-dye shirt in rastafari-kleuren is misschien ook niet helemaal koosjer (meer). In meer of mindere vorm zijn dit voorbeelden van culturele approriatie. Dat is één van de hoofdthema’s van deze editie van het Holland Festival, dat wil bewijzen de wereld op het Amsterdamse podium te brengen, getoond door bijvoorbeeld Afrikaanse of Latijns-Amerikaanse makers zelf. Zo ook met Turan Dokht: een toonbeeld van Iraanse contra-approriatie, of: een postmoderne opera die zonder met de ogen te knipperen Puccini samplet.

Schakelen

De jonge componiste Aftab Darvishi (Teheran, 1987) studeerde onder andere in Den Haag bij Yannis Kyriakides en iets van zijn manier van werken, hoor je ook in Turan Dokht. Darvishi weet namelijk moeiteloos te schakelen tussen aloude, diep-bezielde Perzische verzen en traditionele muziek die doet denken aan het idioom dat Jordi Savall de laatste jaren voert aan de ene kant en, daar tegenover, veel moderner, Westers werk dat zelfs richting onversneden powerballad-pop neigt. Oftewel: net als in ettelijke werken van haar leermeester grondvest zij haar compositie op eeuwenoude lokale gebruiken en geschiedenissen en geeft die zo wortels in de vorm van locatie in plaats en tijd. Teglijk knoopt ze in haar postmoderne tapijt strengen vroeger van verre aan onze tijd, hier en nu, waardoor het stuk qua plek universeler wordt en tijdloos bovendien. En ook dat is een gekend gegeven bij Kyriakides.

Thuisbrengen

Puccini had de klok horen luiden qua een prinsessenverhaaltje uit het Oosten, gooide er wat chinoiserietjes tegenaan, maakte van de protagonist een waar serpent en zijn opera Turandot werd wereldberoemd; zie daar een schoolvoorbeeld van culturele approriatie. Aan gewelddadig terugbrengen naar de bron doet Darvishi echter niet. Zij brengt het 12e eeuwse Perzische verhaal thuis, door het met een schitterende en ontwapenden inherente logica voor zich te laten spreken. En zonder oneerbiedig te worden, maar ook met niet teveel lof citeert ze zelfs schalks uit Puccini’s grote opera. Het ‘vincerò’ treft plots verrassend emotioneel doel, zonder de gekende geëxalteerde uithaal, als een huiselijk warme en waarachtig intieme feitelijke vaststelling: als een liefdevol kleinood.

thumbnail_turan-dokht-ali-zamani-2

Sprookje met houvast

Darvishi en regisseur en librettist Miranda Lakerveld laten het raamwerk van hun operavertelling staan en zien. Wederkerende ‘zeven’s’ in verschillende vormen (personnages, kleren, planeten, hoofdstukken) bieden kraakhelder houvast. Deze kameropera is daardoor allesbehalve hyperabstract. De krullen en lussen in melodielijnen, elliptische herhalingen en mantra-achtige formules in de lyriek: ze vallen in de vanzelfsprekende bedding van het sprookjesachtige narratief moeiteloos op hun natuurlijke plaats. Het ‘vincerò’ zou net zo goed een refrein uit een pop-lied kunnen zijn; de hele opera een tijdloze vertelling ter lering ende vermaeck – als een interculturele vorm van een abel spel. Het stuk had toegekund met beter acteerwerk, maar het zijn de bezielde muzikale pracht, snuggere enscenering en prettig brutale contra-approriatie die van Turan Dokht een innemend lief juweel maken.

Gezien: Turan Dokht, 5 juni 2019, Muziekgebouw aan ‘t IJ