Muzikale vergezichten
Door op 29 december 2012

The Lost Tapes van Can een was van de meest veelbesproken reissues van het afgelopen jaar. Een half jaar voordat de cd’s in de winkel lagen mocht Mojo al een kijkje in de keuken nemen en was het hek van de dam. Het gonsde flink in de media. Niet zo verwonderlijk, gezien de reputatie van Can als muzikale pioniers, een reputatie die de afgelopen decennia bijna Kraftwerkachtige proporties heeft aangenomen. De band uit Keulen mag een aantal klinkende namen onder zijn fanschare rekenen, waaronder John Lydon, Radiohead, New Order, The Fall, Geoff Barrow van Portishead, Primal Scream, Stone Roses, Stephen Malkmus, Sonic Youth en Brian Eno.

Het unieke karakter van Cans muziek kan voor een groot deel verklaard worden door de achtergrond van oprichters Irmin Schmidt en Holger Czukay. Tegen het einde van de jaren zestig hadden beiden al een jaar of tien serieus muziek gemaakt. Zowel Schmidt (toetsen) als Czukay (bas) waren ex-leerlingen van Karlheinz Stockhausen. Ook Pierre Boulez en John Cage waren geen onbekenden voor de heren. Samen zochten Schmidt en Czukay naar een nieuw soort muziek. Muziek die zowel experimentelere rock en funk in zich droeg – Frank Zappa, Jimi Hendrix, Velvet Underground en Sly Stone mochten op de belangstelling van het duo rekenen – alsmede jazz en minimalistische avantgarde in de geest van Terry Riley en La Monte Young. Schmidt en Czukay wilden naast academische diepgang tevens ruimte bieden aan de revolutionaire subversiviteit van 1968.

Jaki LiebezeitHet duo werd een kwartet met de komst van gitarist Michael Karoli, een voormalige leerling van Czukay, en drummer Jaki Liebezeit. Met de name door de komst van laatstgenoemde kreeg Can, dat toen nog door het leven ging als Inner Space en The Can, pas écht gestalte. Liebezeit had een verleden in de free jazz en was begiftigd met een geweldige precisie waarmee hij een hypnotiserende groove kon neerleggen. Of zoals hij bij de release van The Lost Tapes liet optekenen: “I can play louder or lower, change the sound, but I must obey the rhythm.” In de free jazz was er volgens hem geen ‘groove’ omdat de muziek altijd moest veranderen. Can was anders, Can was “Stockhausen with a hell of a drive”, aldus Holger Czukay later.

Radicaal

Hoewel je Can geen militante band kon noemen, was de muziek altijd radicaal. Afrikaanse ritmes, oosterse invloeden en het werken zonder hierarchie waren slechts enkele van de vele opvallende elementen van de band. “Can were four strong alpha men”, verklaarde Czukay eerder dit jaar. “Any of us could have been the leader but instead this nucleus was 4 leaders together.”

Duitsland lag in puin na de oorlog en in het nog verlamde, starre sociale klimaat moest iets nieuws gebouwd worden, iets wat alleen in het Duitsland van de jaren zestig gemaakt kon worden. Liebezeit stelde zelfs nog voor om van Can een acroniem voor Communisme, Anarchisme en Nihilisme te maken.

Damo SuzukiDe band had nog een zanger nodig en dat werd de Amerikaanse beeldhouwer Malcolm Mooney die aanvankelijk geen idee had van de rol die de band voor hem in petto had. Samen met de ritmisch sterke en confronterende Mooney maakte Can in 1969 het album Monster Movie. Het intense geluid van Mooney, geladen met funk, maakte van Can een veelkoppig monster. Mooney was echter niet de meest stabiele persoon en hij verkaste in 1970 naar de Verenigde Staten. In datzelfde jaar plukten Liebeszeit en Czukay in München zanger/muzikant Kenji ‘Damo’ Suzuki van de straat. De Japanner voegde zich bij Can en werkte al snel mee aan de collectie soundtracks waar de band drukdoende mee was. Suzuki zou zich al snel ontpoppen tot dé stem van Can.

Vanaf 1970 tot en met 1973 legde Can een ongekende creativiteit aan de dag. De band zat iedere dag van 12 uur tot middernacht in de studio. En vrijwel alles werd opgenomen, op een simpele 2-sporen recorder. Het leverde drie enorme mijlpalen in de muziekgeschiedenis op: Tago Mago (1971), Ege Bamyasi (1972) en Future Days (1973). Platen waarop fysieke kracht hand in gang ging met het cerebrale. De muzikale bagage van ieder bandlid droeg bij aan een soms magisch, bezwerend geluid. Michael Karoli refereerde hier later als volgt aan: “The sessions, you could say they were services, but without a deity… we were tools of the music”.

The Lost Tapes

Irmin SchmidtIrmin Schmidt gaf later toe dat eigenlijk niemand ooit zin had gehad om door alle tapes heen te gaan. Er zat niet veel orde in het archief en de band ontwikkelde zich zo snel vanaf eind jaren zestig dat veel opnamen binnen enkele maanden al als gedateerd werden beschouwd. Echter, toen Schmidts vrouw Hildegard, tevens manager van de band en van het Can-label Spoon Records, meer druk op de ketel zette, gat de toetsenist zijn verzet op. De tapes, die na de verkoop van de Can-studio aan het Duitse Rock Museum, bij hem thuis waren beland, werden opgeschoond en gedigitaliseerd. Vervolgens bleef er 50 uur muziek over. Na een minutieus editing proces, vergelijkbaar met dat wat Teo Macero ooit deed met opnamen van Miles Davis eind jaren zestig, volgde de remastering, een proces dat in februari 2012 voltooid werd.

Natuurlijk vormen The Lost Tapes een muzikaal plakboek en als zodanig niet zo’n fraai geheel als de eerder aangehaalde drie meesterwerken. Daar mag wel tegenover gezet worden dat een flink deel van deze verzameling superieur is aan een aanzienlijk deel van Cans overige albums uit de jaren zeventig. Hoewel de band in 1975 nog een hitje scoorde in Engeland met de proto-disco van I Want More, lagen de beste jaren toen al achter de groep. Damo Suzuki had de band al in 1973 verlaten en de rol van Czukay werd allengs marginaler. Uiteindelijk zou ex-Traffic-lid Rosko Gee de bas ter hand nemen in Can. Met hem kwam ook percussionist Rebop Kwaku Baah mee, eveneens uit Traffic. In 1978 bood John Lydon zich herhaaldelijk aan als nieuwe zanger van Can maar het was te laat. De groep stopte in 1979. Lydon als frontman van Can… Als hij zich één of twee jaar eerder had gemeld zou de muziekgeschiedenis er wellicht héél anders hebben uitgezien.

Can_2The Lost Tapes biedt de kans om nog een flink aantal nummers met Malcolm Mooney te horen. Het in 1981 uitgebrachte Delay 1968, met daarop niet eerder uitgebracht materiaal van eind jaren zestig, heeft er dit jaar wat dat betreft een grote broer bij gekregen. The Lost Tapes herbergt het opvallende Waiting For The Streetcar, een zinderende groove van tien minuten met Malcolm Mooney in een soort menselijke loop. Deadly Doris is opvallende punkfunk, een soort Talking Heads off the rails. Bubble Rap combineert een rücksichtsloze, zagende gitaar, een verbeten Mooney met geestverruimende bas- en toetsenlijnen. Een duidelijk bewijs van Cans originaliteit en potentie, enkele jaren voordat de band zijn top bereikte. Midnight Sky, op disc 2 is bluesy funk, met een zelfverzekerde Mooney achter de microfoon.

Soundtracks

Can_SpoonCan was rond 1970 flink actief met het leveren van filmmuziek. De opener van disc 1 is het jachtige, immer spannende Millionenspiel. Muziek voor een ARD-actiefilm uit 1970. Graublau, eveneens een soundtrack, is een staalkaart van Can: 16 minuten bijna achteloos doorpompen, inclusief (tape)noise en samples. Dead Pigeon Suite komt voort uit een soundtrack voor de krimi Tatort. Can leverde hiermee muziek voor Tote Taube in der Beethovenstraße, een aflevering uit 1973, geregisseerd door niemand minder dan Samuel Fuller. Dead Pigeon Suite is een boeiend werk, opgesneden in hoofdstukken, variaties en schiet van verstild en mystiek naar groovend. Can-fans horen ontwaren hier overigens al snel de contouren van het fameuze Vitamin C, de klassieke track van het album Ege Bamyasi. 1972 was een belangrijk jaar voor Can. Het nummer Spoon bereikte de zesde plaats in de Duitse hitparade, vooral dankzij de tv-thriller Das Messer waarin het werd gebruikt. De single ging 300,000 keer over de toonbank in Duitsland. Can stond ineens op de kaart en gaf daarom een gratis concert in de Kölner Sporthalle. Op The Lost Tapes een live-versie van Spoon. Het publiek klapt enthousiast mee aan het begin, waarschijnlijk niet wetend dat er nog 16 minuten Spoon gaan volgen. Single-edits zijn er voor de radio, moet Can gedacht hebben.

Niet al het materiaal op The Lost Tapes is dus onbekend. Er komen bijvoorbeeld nog wat vroege versies van nummers voorbij die later zouden opduiken op het album Soundtracks uit 1970. En er zijn meer stukken aan te wijzen die vroege incarnaties lijken van latere werken, waaronder Messers, Scissors, Fork and Light, dat later zou evolueren tot Spoon. Daar komt bij dat ook een imposante collectie als The Lost Tapes niet ontkomt aan wat materiaal dat de meeste luisteraars slechts voor kennisgeving zullen aannemen. Het toiletbezoek The Agreement is niet meer dan een leuk tussenstukje en de spoken word-track True Story is bizar maar niet memorabel. De ‘Chicago-blues’ van The Loop doet de oren spitsen maar niet veel meer dan dat. Het was dus niet al goud wat er blonk in de archieven van de grootmeesters.

Can_The Lost TapesDe derde disc van The Lost Tapes toont nieuwe vergezichten, waar Can de meer open landschappen betreedt die zich op Future Days (1973) ontvouwden. Op Midnight Men, Private Nocturnal en Alice trekken weldadige synths fraaie, ijle sferen op. De warme ambient folk van Oscura Primavera op disc 1 gaf al aanwijzingen in deze richting. Op andere momenten blijft Can wat dichter bij de grond, zoals op Barnacles, waar de band klinkt als menige (gedrogeerde) jazzrock/funk-band in de seventies. Het zoveelste bewijs van de veelzijdigheid van Can.

Het Britse blad Uncut riep The Lost Tapes al uit tot reissue van het jaar. Hoe zeer Irmin Schmidt hier ook mee verguld was, hij liet ook niet na te benadrukken dat het strikt genomen niet om een reissue ging. Correct natuurlijk, maar dat doet niets af aan het feit dat Can dit jaar terecht weer flink in de schijnwerpers stond. Dit gold overigens voor meer ‘krautrockers’, want de voor 2013 geplande concertseries van Kraftwerk waren in een mum van tijd uitverkocht. En ook Tangerine Dream is weer live te aanschouwen.

Can had van deze drie Duitse kanonnen natuurlijk het meest te melden dit jaar. Alle pers was dan ook gerechtvaardigd. Ere wie ere toekomt. Want hoewel een dubbel-cd de reputatie van de band wellicht een grotere dienst had bewezen dan de huidige set van 3 cd’s, biedt The Lost Tapes nog zoveel opwindende momenten dat we blij en dankbaar mogen zijn dat deze oude opnamen niet verloren zijn gegaan.