Lou Reed: van stand-up musician tot huisman
Door op 24 november 2016

Als één ding Lou Reed kenmerkt, is dat hij in zijn werk altijd zijn wispelturige zelf is gebleven. Wars van verwachtingen, trends of commercieel denken, heeft hij met een bot kapmes zijn weg door de muziekjungle gebaand.

Eind jaren zeventig werd Reed tegen wil en dank door velen de punkscene in geduwd, terwijl hij daar in zijn hoofd mijlenver vanaf aan het werk was. Niet voor niets omschreef Marcel Hartenberg Reed in het vorige deel van dit Written In Music Lou Reed-restrospectief als ‘een zichzelf kastijdende poëet die zich tegen wil en dank de punk in zingt en speelt, terwijl hij zich daar in feite ook tegen af wil zetten’. Dat dekt de lading perfect. Reed stelde dit ook zelf. “I’m too literate to be into punk rock . . . The whole CBGB’s, new Max’s thing that everyone’s into and what’s going on in London – you don’t seriously think I’m responsible for what’s mostly rubbish?”

mm_reed_takenoprisonersHij heeft daar een goed punt, maar tegelijkertijd is Reeds houding ten opzichte van wat er van hem wordt verwacht door zowel de muziekindustrie als zijn publiek hartstikke punk. Het beste voorbeeld daarvan is de dubbel-lp Lou Reed Live: Take No Prisoners uit 1978, de letterlijke (want: geen overdubs) weerslag van een optreden in de New Yorkse club The Bottom Line. Wie de tracklist bekijkt, ziet daar met onder meer Sweet Jane, Satellite Of Love, I’m Waiting For My Man en Walk On The Wild Side min of meer een ‘greatest hits show’. Wie de boel echter beluistert, krijgt toch iets heel anders voor de kiezen. Reed is zacht gezegd in een spraakzame bui. Eer opener Sweet Jane begint, is hij al minutenlang aan het babbelen tegen het publiek en ook tijdens het nummer steekt hij verder van wal. Over politiek bijvoorbeeld. “Are you political Lou? Political about what? Give me an issue and I’ll give you a tissue. I’ll wipe my ass with it.” Het publiek reageert enthousiast op Reeds geouwehoer en dat is best aanstekelijk. Maar het komt de muzikale eeuwigheidswaarde van deze erg rommelige livedubbelaar niet bijster ten goede. Sommige tracks worden wel van A tot Z gespeeld, maar vaker verzandt dit Reed-optreden in een stand-up comedy routine, of in een bewust saboteren van bekend werk als I’m Waiting For The Man door het als een (te) langzame blues te brengen. “It’s not that I don’t want to play your favorites, it’s just, there’s so many favorites to choose from”, zo bijt hij cynisch aan het begin van Walk On The Wild Side, maar niet voordat hij het enthousiast meeklappende publiek terecht heeft gewezen. “We know the rythm…”

De klaphoes van Take No Prisoners, met geinige knipoog naar David Bowies Ziggy Stardust op de achterflap.

De klaphoes van Take No Prisoners, met geinige knipoog naar David Bowies Ziggy Stardust op de achterflap.

Waarom platenlabel RCA heeft bedacht dat het een goed idee was om uitgerekend dit optreden, dat in feite puur bedoeld was als radio-uitzending zo blijkt uit de opmerkingen van Reed, uit te brengen blijft gissen. Als tijdsbeeld is het leuk. Voor één keer. Als artistiek statement… Tsja, niet echt. Tenzij je het als cursus ‘hoe schoffeer je de achterban in tien stappen’ wil verkopen.

The Bells uit 1979 is eveneens een wat vreemde release. Maar ook een heel interessante, want Reed geeft zijn werk her en der een jazzy sfeer mee, terwijl het op andere momenten meer richting het bombast van bijvoorbeeld een Springsteen gaat of juist iets heel afwijkends als disco. Het album is vooral bekend vanwege de samenwerking met Nils Lofgren, die volgens de overlevering met producer Bob Ezrin in de studio aan het werk was terwijl Reed in een andere studio bezig was. Ezrin (die in 1973 Reeds Berlin produceerde) introduceerde de twee en Reed gaf aan dat hij Lofgren muzikaal wel interessant vond, maar dat hij zelf tekstueel toch echt zelf wel de betere was. Of Lofgren dus maar wat muziek kon laten horen. Enkele weken later ging bij Lofgren midden in de nacht de telefoon. Lou Reed aan de lijn, die doodleuk dertien teksten ging zitten dicteren. Drie van de liedjes die dit heeft opgeleverd staan op Lofgrens album Nils uit 1979, drie andere staan op Lou Reeds The Bells.

mm_reed_thebellsDe samenwerking kent zijn pieken en zijn dalen. Op The Bells geldt With You als track die we beter kunnen vergeten, tegelijkertijd is door uptempo piano gedreven opener Stupid Man één van de beste liedjes op het album en is het aan Charlie Chaplin opgedragen en uitermate jazzy ingestoken en experimenteel geproduceerde City Lights een onbetwist hoogtepunt. Opvallend is wel hoe afwijkend Lou Reeds stem klinkt op het volledige album. Zo onvast als in het openingssalvo hoorden we hem niet vaak (al past het hier wel), waar hij in City Lights eigenlijk te diep de laagste regionen in duikt. De pieken en dalen gelden ook voor het hele album. Disco Mystic zou een parodie zijn op het toen uitermate populaire discogenre, maar het levert in het geheel geen interessante muziek of zelfs een bijtende kritiek richting het genre op. The Bells is een harde noot om te kraken, want de gulden middenweg is hopeloos zoek. Het is of gewoon (heel) goed, of heel erg beroerd. Dat maakt het geen fijn album, ook zeker geen klassieker. Maar ergens ook wel interessant. Zou het een bewuste zelfsabotage zijn zoals voorgaand live-album? Of probeert Reed nieuwe wegen te bewandelen? De bijna als doo-wop te omschrijven koortjes op het openhartige Families lijken daar op te wijzen.

Tijdens de tournee die volgde op The Bells vroeg Lou Reed aan David Bowie om opvolger Growning Up In Public te produceren. Bowie had net met zijn album Lodger zijn Berlijnse trilogie afgerond en heeft in de voorafgaande periode zichzelf na een uitbundig leven van seks, drugs en rock ’n roll bijeengeraapt. Dat had Reed nog niet, die hing nog in zijn oude gewoontes en tijdens een etentje zei Bowie dat Reed eens volwassen moest worden. Waarop de immer norse Lou Bowie een klap in het gezicht gaf. Deze had logischerwijs geen zin meer in het produceren van dit album, al kan dat ook met de kwaliteit van de liedjes te maken hebben. Growning Up In Public heeft alles in zich om een artiest juist uit het oog van het publiek te laten verdwijnen, zo oninteressant is het in 1980 verschenen album bij tijd en wijle. Wellicht is het wel een teken des tijds. Lou Reed was een artiest die uitstekend heeft gedijd in de 70s.

mm_reed_public Je ziet bij veel artiesten dat het album waarmee ze een nieuw decennium in stappen toch stilstand of een stapje terug markeert. In het geval Lou Reed is het meer een soort ijsberen op een kruispunt. Van het ergens tussen reggae en funk in hangende titelnummer tot akelig generieke (en van irritante start-stop melodie voorziene) nummers als Keep Away en The Power Of Positive Drinking of het poppy Smile, Reed maakt geen keuzes, veinst autobiografische teksten die niet waar kunnen zijn en dat levert een vlees noch vis-album op.

Pas twee jaar later groeit hij daadwerkelijk ‘en plein public’ op, met het album The Blue Mask. Reed heeft zich op alle fronten van zijn oude leventje ontdaan. Hij is getrouwd met Britse ontwerpster Sylvia Morales en is ineens een (min of meer) brave huisman. Waar hij eerst langs de donkerste krochten van New York zwierf, heeft hij nu een redelijk recht-toe-recht-aan leven als ‘Average Guy‘ en die levensfase boezemt angst in. Ook heeft hij zijn oude band vervangen en dat maakt dat het album op meerdere fronten een frisse nieuwe start is. Wat wel opvalt, is dat de cover een ‘throwback’ naar vroegere tijden is, want we zien exact hetzelfde beeld als wat Transformer sierde in 1972, maar dan met – zoals de titel al aangeeft – een blauw masker er overheen. Het is in alles een tegenpool van de voorganger. Waar een The Power Of Positive Drinking op Growning Up In Public een lollig bedoelde (of tenminste zo overkomende) lofzang op alcoholgebruik is, komt hier op The Blue Mask de bodem van de fles in zicht in het naargeestige Underneath the Bottle. “Things are never good, things go from bad to weird”, zingt Reed. “Oooohh whee, liquor set free, I can’t do no work, the shake’s inside me.” Alcoholisten zullen het herkennen.

mm_reed_thebluemaskOnderwijl worden hier wel duidelijke keuzes gemaakt. Op de ronkende titeltrack gaan de gierende gitaren (naast Reed zelf ook de niet te onderschatten invloed van zijn nieuwe gitarist Robert Quine) harder dan ooit tekeer in Reeds werk. Ook het rauwe Waves Of Fear rockt hard. Genoemde drie nummers zijn nummers waarin Reed zijn demonen uit het verleden te lijf gaat, om ze waar mogelijk eens en voor altijd achter zich te laten, ook al is dat doodeng:

“Waves of fear, squat on the floor
looking for some pill, the liquor is gone
Blood drips from my nose, I can barely breathe
waves of fear, I’m too scared to leave”

Onderwijl is er ook het nieuwe leven, de rust. Die uit zich in liedjes als My House, Avergage Guy en Heavenly Arms, die zonder gêne over de liefde in zijn leven en het burgerlijke leven dat daarbij hoort. Opvallend ook dat Reed op dit album meer dan ooit echt tracht te zingen, waar hij doorgaans ergens tussen declameren en parlando zijn werk brengt. Hoewel de titel en de hoes anders doen vermoeden, zet hij hier daadwerkelijk zijn masker af en het resultaat is dat we hier brave huisman Reed in een comfortabele levensfase horen, afgewisseld met angsten en flashbacks uit (en naar) een leven dat achter hem ligt. Alsof hij bang is dat hij dit leven wat hij leidt niet verdient. Die eerlijkheid die in het contrast zit is fantastisch.

Andere artikelen in de Written In Music Lou Reed-special: